In de aanloop naar deze preek, over de Driekoningen, heb ik van de week, zoals ik gewoon ben te doen, geluisterd naar wat de Amerikaanse bisschop Robbert Barron erover te vertellen heeft*. En opnieuw werd ik geraakt door de verbluffende schoonheid, de waarde en de onomstotelijke waarheid van ons geloof. En ook over het feit dat we, ik in elk geval, vaak maar half beseffen wat voor een rijkdom het is, die wij met onze Kerk mogen behoeden.
Er is zoveel om op in te gaan, om over na te denken. Teveel voor een preekje van 5 min. Ik zal mij dus beperken tot de meest in het oog springende zaken. Op de eerste plaats de vraag; wie kwamen er bij Jezus? Drie koningen? Waren het er drie? Koningen? Wijzen? Of zijn Wijzen in zekere zin koningen? Zeker is wel dat het over astronomen gaat, ze hadden immers aan de stand van de sterren afgelezen waar ze heen moesten. Dat is minder vreemd dan het lijkt, want astrologie is altijd van groot belang geweest, voor het vinden van richting. Zelfs ik kan aan de stand van de Grote Beer aflezen waar het noorden is, en dus ook waar het zuiden is en het westen en het oosten. Vandaag de dag hebben we andere hulpmiddelen zoals radio en GPS, maar dat men in de tijd van Jezus meer naar de sterren keek, dat is logisch; het was, en is eigenlijk nog, een serieuze wetenschap.
Veel jonge mensen van vandaag nemen afstand van ons geloof omdat ze zeggen dat het niet wetenschappelijk te onderbouwen is. In hun ogen hangt alles aan elkaar van vreemde sprookjes en nergens is wetenschappelijk bewijs voor. En, al zal het verhaal van de Driekoningen bij hen ook wel in het vak van de sprookjes belanden; het is juist de wetenschap, in dit geval de astronomie, die de drie wijzen naar Christus leidt. Hetzelfde geldt voor de wetenschap van vandaag. Zuivere wetenschap staat niet tegenover het geloof, maar is juist helemaal in één lijn met het geloof. Zuivere wetenschap leidt, net als bij de drie wijzen, nog steeds tot geloof, want hoe meer je weet, hoe meer waardering je krijgt voor het grote wonder dat tenslotte toch de grondslag is onder alles. Ik zeg wel met nadruk “zuivere” wetenschap want de wetenschap zoals wij die kennen is vaak niet helemaal zuiver. Ze staat aan alle kanten onder druk van wereldse machten en conventies. De duivel immers kruipt overal in, ook in de wetenschap. Maar in het Evangelie van vandaag laat de wetenschap zich gelukkig niet misbruiken door de aardse machten. De wijzen geven die machten, gesymboliseerd in koning Herodus, mooi het nakijken. Ze gaan in een grote boog om hem heen, terug naar waar ze vandaan kwamen.
U kent dat prachtige maar vreemde begin van het Evangelie van Johannes; “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het woord was God. Alles is door Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is”. Het “Woord”, zoals Johannes dat noemt, is een kreupele vertaling van het griekse “Logos”. Wat hiermee door Johannes bedoeld wordt is iets heel anders dan wat wij onder “woord” verstaan; een aantal letters op een rijtje. “Logos” is eigenlijk niet te vertalen; maar je hoort er het woord “logica” in meeklinken. Al onze wetenschappen zijn getekend met dat woord “Logos”; psychologie, fysiologie, technologie, immunologie en ga zo maar door. Er zijn maar liefst 811 wetenschappen waarin dat woord “Logos” voorkomt. Dus zonder dat ze er zelf erg in hebben worden alle wetenschappers getekend met de Logos; het Woord, dat in het begin bij God was en dat God is. Wetenschap kan niet bestaan zonder “de Logos”, het Woord dat God is. Want wetenschap kan er alleen zijn, omdat er een zekere logica zit in alle verschijnselen. Die logica, die kan bestudeerd worden. Juist die logica, de Logos, de ordening die God is, die maakt wetenschap mogelijk. Anders gezegd; als alles chaos was, als elke logica, elke ordening, alle Logos zou ontbreken, als God geen ordening had aangebracht, dan viel er nergens een conclusie uit te trekken. Dan viel er ook helemaal geen wetenschap te bedrijven.
Zo is het bijvoorbeeld logisch dat Christus pas geboren kon worden na vele eeuwen Jodendom. Logisch dat het Woord pas vlees kon worden toen de wereld genoeg tijd had gehad, om zich voor te bereiden op Zijn komst. Logisch ook dat Jezus geboren moest worden als kwetsbaar kind in een stal; liefde is immers kwetsbaar en kan niet komen met macht en geweld. Logisch ook dat heel Jerusalem verontrust was; de geboorte van Christus is immers een bom onder de machten van het kwaad. Logisch ook dat heel Jerusalem tenslotte riep; “Aan het kruis met Hem”. Zoveel goedheid is onverdraaglijk voor de machten van het kwaad en die geven zich niet zomaar gewonnen.
Vandaag waren we getuigen van de ontmoeting van de wijzen, de geleerden van de wereld, met het kindje Jezus. Eerder al, waren er de herders, de mensen van eenvoud, dicht bij de natuur, dicht bij het gewone leven. Hier, voor u links, in de Kerk, hebben we twee glas in loodramen, waarop beide ontmoetingen verbeeld worden. Zo kunnen ook wij Jezus ontmoeten; in eenvoud, gewoon zien in wat voor een wondere wereld wij leven maar we kunnen God ook ontmoeten door het leven te onderzoeken en door na te denken. Na denken over wat het leven is, waar het toe leidt en waar het toe dient. Niet één van de twee wegen is de beste, ze hebben elkaar nodig. Want: Geloof zonder wetenschap, zonder redelijkheid, kan verworden tot bijgeloof of godsdienstwaanzin. Wetenschap zonder geloof leidt tot zelfgenoegzaamheid, kortzichtigheid en blindheid.
Herders en wijzen kwamen Jezus prijzen; laten ook wij doordrongen raken van de grootsheid van het vleesgeworden Woord, en vol eerbied voor Hem door de knieën gaan. Amen.
* Klik hier voor de genoemde inleiding van mgr. Robbert Barron
Het gaat behoorlijk snel met het leven van Jezus. Gisterennacht vierden we nog zijn geboorte, vandaag heeft Hij al zo’n beetje de leeftijd van een 1 ste Communicant of een Vormeling. Hoewel, het Vormsel en de 1ste Communie, die kenden ze toen natuurlijk nog niet. In de tijd van Jezus waren er andere tradities, zoals bijvoorbeeld het Paasfeest. Traditioneel, reisden de mensen met hun kinderen naar het centrum van het land, naar Jerusalem, om daar het feest te vieren dat herinnerde aan de bevrijdende uittocht uit Egypte. Dat was toen al heel lang geleden. Traditioneel hebben wij honderden, duizenden kinderen de 1ste Communie laten doen en het Vormsel toegediend. Maar blijkbaar is deze traditie aan de buitenkant blijven hangen, want evenzoveel kinderen zien we hier bijna nooit meer terug.
Hoe anders was dat bij Jezus. Zijn ouders dachten dat Hij het wel begreep; gewoon met de club mee naar huis, als het feest afgelopen is. Naar Jerusalem, het feest vieren, en dan weer naar huis. Dat was hoe het gewoonlijk ging. Na drie dagen komen ze erachter dat Jezus niet zomaar mee hobbelde in die traditie. Nee, in Jerusalem, in het centrum van de wereld van die dagen, en wel precies in de tempel, in het huis van God, dáár wilde Jezus het naadje van de kous weten. “Waar gaat dat hier over?” Zal Hij gevraagd hebben. “Wat is Pasen precies en wat heeft dat met Mijn leven te maken?” En als Zijn ouders Hem dan gevonden hebben blijkt Hij zich definitief te hebben losgemaakt van hen. “Wisten jullie dan niet dat ik in het huis van Mijn Vader moest zijn?” Het kenmerkt Jezus voor de rest van Zijn leven; de wil van God, Zijn Vader, die gaat Hem boven alles. En voor ons, wij die ons toch Zijn leerlingen willen noemen, zou dat niet anders moeten zijn. Jezus wil best gehoorzaam zijn aan de aardse wetten en gebruiken, maar als het puntje bij paaltje komt is de wil van God altijd, maar dan ook altijd, doorslaggevend.
In datzelfde gebied zit hier onze omgang met het coronavirus. Natuurlijk willen wij in redelijkheid meegaan met de regelgeving waarmee men meent het virus te kunnen bestrijden; maar als het puntje bij paaltje komt, doen wij de kerk niet dicht. Als het waar is wat Jezus zegt; “Niet van brood alleen leeft de mens, maar van ieder woord uit de mond van God”; hoe zouden wij dan de supermarkten open kunnen houden en de kerken sluiten?
De wil van de Vader doen, daar gaat het Jezus dus om. Het grappige is dat Jezus dat niet van een vreemde heeft. Als vrome joodse had Maria kunnen weten dat haar Zoon zich zou houden aan het zesde gebod; “eert uw vader en uw moeder”. En het eren van vader en moeder betekent meer dan alleen positief over hen spreken. Eren van je vader en moeder doe je vooral door hun levenslessen in acht te nemen. En was het niet de moeder van Jezus, bij wie de “wil van de Vader” het eerst ingang vond? Toen zij de engel antwoordde; “Mij geschiede naar uw woord”? Was dat niet al precies hetzelfde als wat Jezus nu doet; “volledige overgave aan de wil van God de Vader?” Wat Jezus doet, is enkel de lijn van Zijn moeder doortrekken in Zijn eigen leven.
Ik zei eerder al, dat die wil van de Vader ook voor ons voorop zou moeten staan. En dan komt er een hardnekkig misverstand om de hoek kijken. Want wat is de wil van de Vader? Als je niet verder kijkt dan dat Jezus daar aan dat kruis hangt te kreperen, dan zou je goed kunnen bedanken voor de wil van de Vader. Wij schijnen de wil van de Vader toch nog vaak te ervaren als iets wat haaks staat op onze eigen wil. Maar de wil van de Vader doen betekent niet voor iedereen hetzelfde. Gods wil is uiteindelijk niets anders dan dat wij gelukkig zijn. Voor Jezus betekende de wil van de Vader; sterven aan het kruis….., maar ook verrijzen. Dat sterven aan het kruis werd, in de verrijzenis Jezus’ grootste glorie. Wij zijn waarschijnlijk geen van allen geroepen om te sterven aan een kruis, maar allemaal wel om de wil van de Vader te doen. Dat wil zeggen dat wij onze roeping moeten volgen; op christelijke wijze vorm geven aan ons leven; als vader, als moeder, als echtgenoot, als student, als werkgever en als werknemer. En soms betekent dat inderdaad ook, dat we iets van een kruis te dragen krijgen. Maar dan moeten we dat, net als Jezus, niet van ons afschudden, maar het opnemen omdat het de wil van de Vader is. Maar dat vraagt ook iets van onderscheidingsvermogen want je kunt ook niet zomaar van elk verdriet zeggen dat het de wil van de Vader is.
De wil van de Vader, dat is ook ons hoogste geluk. Dat kun je niet altijd zien, dat kun je niet altijd proeven, maar dat is de essentie van ons geloven. Door dit aardse leven het eeuwige leven bereiken, dat is de wil van God voor ieder van ons. Amen.
Vandaag wil ik het Evangelie voor zichzelf laten spreken want dat is duidelijk genoeg. Als wij vragen “Wat moeten wij doen?”, dan ligt voor ieder van ons het antwoord voor de hand. Geen grootse, wereldschokkende prestaties worden van ons gevraagd; maar alleen voor de hand liggende dingen; tevreden zijn met je soldij, als je teveel hebt aan kleding, voedsel of andere zaken; delen met wie niets heeft. En dan hebben we mooi de gelegenheid om de daad bij het woord te voegen. Want daar achter in de kerk staat geduldig de collectebus van de Adventsactie op ons te wachten; daar kunnen wij eventueel iets doen met wat we teveel hebben ten bate van de armen in Cordoba, Argentinië.
Nee, ik wilde het vandaag met u hebben over het thema van deze 3e Adventszondag; “Gaudete, verheugt u” en dan specifiek over de tweede lezing. De meesten van ons kunnen de lezingen onderhand dromen en dan bestaat het gevaar dat je niet echt meer luistert. Want daar staat iets heel merkwaardigs; ……verheugt u…ten alle tijden…. Niet alleen; “verheugt u”, maar “verheugt u ……ten alle tijden”… Ik denk niet dat je met zo’n boodschap aan moet komen, bij een tiener die voor de zevende keer gezakt is voor zijn rijexamen, of bij een smoorverliefde jongen of meisje, wiens verkering net is uitgegaan, of bij iemand die sinds kort weet dat hij ongeneeslijk ziek is of bij een moeder die haar kindje verloren heeft. En er zullen toch mensen zijn met soortgelijke ervaringen, die dat vandaag lezen; “Verheugt u ten alle tijden”. Misdadig toch om dat van die mensen te verlangen? En toch staat het er, en toch is het nog waar ook. Ergens anders horen we Jezus ook zoiets tegen; “Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt”. Hoe moet dat, met iemand die mij het bloed onder de nagels vandaan haalt? Een klein stukje antwoord vinden we één van de lezingen die ik nog wel eens bij een uitvaart wil gebruiken; daar staat; “….gij moogt niet bedroefd zijn, zoals die andere mensen die geen hoop hebben?” Natuurlijk mag ook een gelovige mens intens verdriet hebben om een geliefde die hem ontvallen is, maar……. niet op dezelfde manier......als die andere mensen die geen hoop hebben. Daar zit hem het verschil.
Er zijn de dagelijkse ups en downs in ons leven, die ons blij of droevig maken, we maken immers van alles mee. En een ongelovige heeft dan niets anders, dan die dagelijkse of wekelijkse ervaringen die zijn emoties heen en weer slingeren met het moment. Een ongelovig iemand, iemand die niet in contact staat met die stille, onverwoestbare Kracht die er altijd geweest is en er altijd zal zijn; Hem die wij God noemen, die wordt enkel gestuurd en bepaald door zijn eigen emoties. Maar een gelovige die heeft, naast de ups en downs, naast de grote of kleine verdrietjes in zijn leven, óók nog iets anders; hij leeft in een onderstroom van geborgenheid waarin hij of zij zich continue verheugen kan, wat er ook gebeurt. En mocht het verdriet soms zo groot zijn dat het hem te veel wordt, dan zal diegene zo snel mogelijk weer terugkeren naar de Bron, waar hij weet van heeft.
En hoe doe je dat, dan, terugkomen bij die bron, die rots, dat onveranderlijke vertrouwen, of welke naam je God ook wilt geven? ……Door te bidden. Door te bidden breng je dat kleine geïsoleerde, ik, dat heen en weer geslingerd wordt door emoties terug in contact met de stille, maar rotsvaste Aanwezigheid van God. En daarom kan Paulus zeggen; …verheugt u ten alle tijden… Niet dat je altijd met een onechte, vrolijke grimas moet gaan rondlopen, maar dat je, ondanks alles wat je overkomt, weet hebt van dat onverwoestbare fundament onder je leven; groter nog en sterker dan het allerergste; de dood.
En nu ik het hier over heb nog iets anders wat daar aan raakt. Velen van ons zullen weer druk bezig zijn met Kerstkaarten schrijven. Ik weet nog dat ik vroeger vond dat mijn moeder zich er gemakkelijk vanaf maakte met haar afkorting: ZK. ZN. Zalig Kerstfeest, Zalig Nieuwjaar. Maar wel twee keer zalig. Tegenwoordig hoor je dat niet veel meer; het is een gelukkig Kerstfeest en een spetterend Nieuwjaar. Maar dat woord Zalig, dat zijn we gaan vermijden. Dat vinden we oubollig en de mensen weten ook niet meer wat het betekent. Zelfs de Zaligsprekingen uit het Evangelie worden soms vertaald naar het, wat men noemt, eigentijdsere, “Gelukkig zij die…”enz. En dat terwijl in dat woord “Zalig” zo veel meer die diepere dimensie zit waar Paulus over spreekt; “verheugt u ten alle tijden in de Heer”. Een gelukkig Kerstfeest heb je, als je de lotto wint of als toevallig alles pays en vree is in je familie, als je met een hoop vrienden, gezellig kunt tafelen. Geen zorgen, lang leve de liefde, misschien wel bijna zoals in de reclame. Maar we weten dat daar ook zomaar ineens de klad in kan komen.
Als je iemand een Zalig Kerstfeest toewenst, dan wens je hem of haar toe dat hij of zij, wat er ook gebeurt, altijd de ervaring houdt dat God de rots is, de troost, de hoop, de steun, of wat iemand ook nodig heeft. Een thuiskomen, een thuis zijn in Hem, desnoods onder de meest moeilijke omstandigheden. Desnoods met de dood voor ogen. Dus zoals Paulus het zegt; “verheugt u in de Heer, ten alle tijden”.
Dus dat zou ik iedereen willen toewensen; geen gelukkig, maar echt een Zalig Kerstfeest. Amen.