Volgende week vieren we met de eerste zondag van de Advent het nieuwe kerkelijk jaar, vandaag dus het slotakkoord van het voorbije jaar: Christus Koning. Mooi zullen sommigen zeggen, mooi dat Christus Koning is, maar wat heb ik daar eigenlijk aan? Nou, heel veel eigenlijk. Misschien is niet iedereen enthousiast over het beeld van Christus als Koning omdat we dan te zeer te kampen hebben met beelden van de aardse, politieke koningen. Onze eigen koning is redelijk geliefd maar echt een regerende vorst is hij natuurlijk niet. Een koning in de eigenlijke betekenis van het woord, is iemand die leiding geeft, iemand die zaken ordent en gericht is op het goede voor iedereen. Neem bijvoorbeeld de dirigent van een orkest; hij maakt zelf geen geluid, maar hij stuurt de muzikanten aan. Hij ordent de muziek zo dat er een mooie symfonie ontstaat. Richting geven, ordenen zodat elk instrument tot zijn recht komt.
Bij ons doopsel zijn we allemaal gezalfd tot een drieledige opdracht; priester te zijn, profeet te zijn en koning. Koning dienen we dus te zijn, allereerst over ons eigen leven. Wij hebben immers allemaal te stoeien met een wirwar aan gedachten, gevoelens, strevingen en verwachtingen. Onze ziel heeft koninklijke sturing nodig om daar orde en richting in aan te brengen. En alleen in zoverre we koning zijn over al die tegenstrijdige bewegingen in onszelf, kunnen we onze koninklijke opdracht ten aanzien van onze omgeving vervullen.
Voordat we naar Jezus gaan wil ik de blik richten op de koningen van het Oude Testament. Want koningen spelen daarin een heel grote rol. De eerste, die dan wel niet de naam van “Koning”, draagt, maar toch wel een belangrijke koninklijke rol gespeeld heeft, dat is natuurlijk Abraham; vader van vele volken, vader van jodendom, christendom en islam. De meest in het oog springende eigenschap van deze koning is dat hij kon te luisteren en gehoorzamen. Gehoorzamen aan de stem van God, ook toen Hij de meest onmogelijke dingen van hem vroeg; Zijn land en stam achter zich te laten (wat in die tijd zoiets was als zelfmoord) en zijn meest geliefde zoon Isaac te offeren. Benjamin Franklin, één van de stichters van Amerika, heeft eens gezegd dat degene die niet kan gehoorzamen, ook geen leiding kan geven. En het is dus ook een eigenschap van alle koningen uit het oude Testament, dat ze kunnen gehoorzamen aan Gods stem.
Een andere belangrijke koning is koning David. Koning David was vooral een strijder. Hij overwon de reus Goliath en de Fillistijnen en versloeg allerlei andere volken die een bedreiging vormden voor het Godsvolk.
Nog een belangrijke koning uit het oude Verbond is koning Salomon. Hij bouwde het huis van God, de tempel van Jerusalem en verder staat hij vooral bekend om zijn grote wijsheid. Exemplarisch daarvoor is natuurlijk het beroemde Salomonsoordeel.
En dan hebben we de drie belangrijkste eigenschappen van de Bijbelse koningen gehad;
- het zijn allemaal strijders, ze vechten voor hun volk
- ze luisteren en gehoorzamen aan de stem van God
- en ze beschikken over een grote mate van wijsheid.
En kijken we nu dan naar Jezus dan zien we des te beter waarom Hij Koning genoemd wordt. Want:
- Een strijder was Hij. Overal waar Hij kwam streed Jezus. Niet tegen legers of tegen mensen, maar tegen het kwaad.
- Luisteren en gehoorzamen? Tot in Zijn laatste ademtocht aan het kruis. “Vader niet mijn wil geschiede, maar Uw wil”.
- Wijs? Als geen ander! Bijvoorbeeld; “Wie zonder zonden is werpe de eerste steen”. Of: “Haal eerst de balk uit je eigen oog, dan zie je misschien scherp genoeg om de splinter uit het oog van de ander te halen”. Enzovoorts enzovoorts.
Zo moeten ook wij allemaal koning zijn van ons eigen leven. En het is misschien goed om zo eens over die oudtestamentische beelden van het koningschap na te denken. Zijn wij die dappere strijders die ons niet te gauw overgeven aan de verleidingen? Luisteren wij naar de stem van God, of toch liever naar onszelf? Zijn we wijs genoeg om ons leven te zien vanuit het perspectief van het goddelijke?
In het Evangelie wat we zojuist hoorden zet Jezus de kroon op zijn koningschap. Voor de laatste keer weerspreekt hij de stem van de duivel die Hem aan het begin van Zijn openbare leven ook al beproefd had in de woestijn: “Spring dan van die toren af, dan komen uw engelen U toch redden?”, Hier is het bij monde van die misdadiger; “Als gij Koning zijt, red dan uzelf en ons”. Oftewel “Luister niet naar God maar wees je eigen god”. Het is die oerdrift al vanuit het Scheppingsverhaal; “Eet maar gerust van die vrucht want je zult helemaal niet sterven”.
De twee misdadigers die met Jezus gekruisigd werden, zetten ook ons voor de keuze; Praten we met de ongelovige mee: “Kom van het kruis af en red uzelf en ons.” Want vinden we soms ook niet dat Jezus maar eens moet komen; om onze ziekte te genezen, onze dierbaren van de dood te redden of ons uit wat voor nood ook te komen bevrijden? En scheelt het soms niet eens veel of we zijn boos op God, omdat dan niet gebeurt wat wij willen? Ofwel zijn we meer als die andere misdadiger, die vanuit zijn diepste ellende nog kan zeggen; “Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw koninkrijk gekomen zijt”. Als enige in dit hele gebeuren erkent deze misdadiger het feit dat Christus Koning is.
En hij zegt ons iets heel belangrijks; dat aan zijn ellende niet te ontkomen valt, maar dat die ellende niet het laatste woord hoeft te hebben als we erkennen dat Christus Koning is. Ook wij ontkomen immers niet aan de ups en downs van dit aardse leven en eens gaan we allemaal. Maar we kunnen wel op Jezus blijven vertrouwen en Hem vragen om aan ons te denken als Hij in Zijn koninkrijk gekomen is. Met andere woorden; vertrouwen wij ons toe, door alle wederwaardigheden van het leven heen, aan Christus die onze Koning is. Daarmee zullen we niet elk kruis in ons leven kunnen ontlopen, maar tenslotte wel met Hem zijn in het paradijs. Amen.
Het is niet de enige keer in het Evangelie, dat Jezus de apostelen, en daarmee ons; aanspoort om te bidden en om het gebed nooit op te geven. En natuurlijk moeten we dat dan ook doen. Bidden en nooit ophouden met bidden. “Vraagt en u zal gegeven worden”; zegt Jezus in het Matheüs-Evanglie. Ook Jezus zelf bidt bij alle belangrijke momenten in Zijn leven. Op talloze plekken in de Bijbel zien we dat gebed krachtiger is dan alle andere menselijke ondernemingen. Zo ook vandaag in de eerste lezing. Zolang Mozes zich in gebedshouding tot God richt, is het leger aan de winnende hand, laat hij zijn armen zakken, dan gaat het de verkeerde kant uit. Maar niet alleen in de Bijbel, ook in onze eigen omgeving kunnen we talloze getuigenissen beluisteren van mensen die een persoonlijke gebedsverhoring hebben gehad.
Het is mooi als mensen zo’n duidelijke ervaring hebben. Maar ik moet u iets bekennen; Zelf heb ik nog nooit iets meegemaakt wat op een gebedsverhoring lijkt. Heb ik dan te weinig gebeden? Heb ik misschien verkeerd gebeden? “Vraagt en u zal gegeven worden;” zegt Jezus. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit op die manier gekregen heb waar ik voor gebeden had”. Nee, dat ik kreeg waarvoor ik gebeden heb, dat is me nooit overkomen, maar wel heb ik altijd veel méér gekregen dan waar ik voor gebeden heb.
Het is best lastig om goed over gebed te spreken, want het is allemaal heel persoonlijk. Vroeger baden wij thuis “den Engel des Heren”. Dat ging zo snel dat we alleen wisten welke geluiden we erbij moesten maken, maar niet of nauwelijks wat er eigenlijk gezegd werd. En ook mijn moeder, die dan voorbad, moest helemaal opnieuw beginnen als ze even afgeleid was. Ik heb daar in mijn tienertijd natuurlijk kritische kanttekeningen bij gezet "Als je het zo doet, kun je net zo goed niet bidden!", maar achteraf besefte ik; “Er werd tenminste wel gebeden, voordat de maaltijd aangevallen werd”. Er werd wel even die link gelegd naar Hem, van wie we het allemaal gekregen hebben, wat er misschien ook op de vorm mocht zijn aan te merken. Of ik denk aan de buurman, die steevast, in een plechtige stilte, met zijn mes een kruis tekende over elk nieuw brood dat hij aansneed. Even die link met de Schepper.
Een ander voorval dat op mijn netvlies gebrand staat; Ik was net een paar maanden diaken en als zodanig bezocht ik een stervende vrouw. Haar man zat aan haar bed met een Mariabeeldje en een kaarsje te bidden en hij zei dat ik dat ook moest doen want dan zou zijn vrouw wel beter worden. Maar de mevrouw in kwestie had vergevorderde leverkanker en zag helemaal geel. Zij stond echt op de drempel van de dood. En natuurlijk, je mag altijd in een wonder geloven, maar als dat dan niet gebeurt, heb je dan niet goed gebeden? Je kunt het ook gebruiken als dooddoener; “Bidt er maar goed voor”. Het was eigenlijk heel zielig want man en vrouw zaten ieder in eenzaamheid te bidden voor beterschap die uitbleef. Het woord “afscheid”, mocht beslist niet gezegd worden. De man heeft gebeden voor wat hij waard was, maar daarna is hij zijn vrouw en God verloren.
Zal ik eens iets geks vertellen; Mijn persoonlijke, spontane gebed is vrijwel nooit iets anders dan een dankgebed. In de vaste gebeden natuurlijk wel, het Onze Vader, de psalmen, dat zijn gebeden waar je iets in vraagt, maar spontaan, eigen gebed, is bij mij vrijwel altijd een dankgebed. Zoals bijvoorbeeld aan tafel; “Goede God ik dank u voor deze dag, voor onze lieve kindjes en voor het eten dat op tafel staat.” Inmiddels zeg ik niet meer “onze lieve kindjes” want daar zijn ze ondertussen te groot voor. Nog iets wat ik zelf achteraf ook heel vreemd gevonden heb; Toen ik jaren geleden een heftige leverziekte had, met doodsangsten en al, heb ik helemaal niet gebeden. Ik was zo beroerd, dat ik helemaal vergat om te bidden. Maar God heeft mij er doorheen getrokken en toen ik weer beter was, ben ik weer gaan bidden; uiteraard weer een dankgebed, duizend maal dank!. Nog een voorbeeld; tijdens ons huwelijk hebben wij nooit specifiek gebeden voor een gelukkig huwelijk, maar ondertussen weet ik heel zeker, dat wij nooit zo’n gelukkig en stabiel huwelijk gehad zou hebben, als wij samen niet waren blijven bidden.
Wat is dan bidden? Bidden is in levend contact staan met God. Dat is niet per se het opzeggen van Wees Gegroetjes en Onze Vaders, dat kan ook, maar bidden kan ook met eigen woorden; vragen, danken, of alleen maar verwijlen in contact met Hem die jouw Schepper is, schuilen in Zijn machtige armen, innerlijk rust vinden in Hem. Vertrouwvol leven, dat is bidden. Dan mag je vragen om goede dingen, maar je moet niet concluderen dat de Vader je vergeten is als je niet onmiddellijk je zin krijgt.
Nog iets waarom ik eigenlijk alleen maar dank; God kent toch mijn hart? Hij weet wat er in mij omgaat. Onze Vader weet eerder wat ik nodig heb dan dat ik dat zelf weet, dan hoef ik Hem dat toch niet meer te vragen? Ik weet het, het lijkt in tegenspraak met Jezus’ oproep en misschien doe ik het wel verkeerd, maar zo zit ik er in.
Nog een ding en dan ga ik dit warrig verhaal besluiten. Het is belangrijk om een vaste routine in te bouwen voor momenten van gebed. Met alleen spontaan gebed redt je het niet. Je moet kiezen voor een zekere routine, je moet jezelf ertoe dwingen om een bepaalde regelmaat in te bouwen. Het getijdengebed is daarvoor een prachtig middel. Vaste tijden, vaste gebeden waarvan je weet dat de hele Kerk die met je meebidt. Maar als je daar niet aan toekomt; houdt in elk geval de zondagsmis in ere. Ik houd er niet van om te roepen dat het een zondagsplicht is, maar de intentie om de draad met God niet los te laten, vooral op die momenten dat je er helemaal geen zin in hebt, die kan je leven redden. Immers, als niets in je leven nog zeker is; Hij die Is, zal er Zijn. Maar dan moet jij Hem de kans geven. Amen.
Toen ik als opgroeiende tiener, afscheid van de Kerk aan het nemen was, heb ik innerlijk wel eens smalend gelachen om de voorbeden. “Nou bidden ze hier al zo lang ik weet, om vrede en allerlei moois, maar er verandert helemaal niets! Oorlogen gaan gewoon door, mensen blijven elkaar geweld aan doen. En zelf kom ik ook maar niet van mijn onhebbelijkheden af. Zie je wel, die God waar ze het alsmaar over hebben, die bestaat helemaal niet of Hij doet in elk geval niks. Bidden helpt niet, dus waarom zou je daar mee doorgaan?” Wat dat betreft zal de noodkreet van de profeet Habakuk in de eerste lezing, ons niet vreemd in de oren klinken; “Hoelang moet ik nog roepen, Heer, terwijl Gij maar niet luistert? Hoelang moet ik de hemel nog geweld aandoen, terwijl Gij maar geen uitkomst brengt? Waarom laat Gij mij onrecht lijden en ziet Gij die ellende maar aan? Waarom moet ik leven te midden van geweld en verdrukking en waarom rijst er twist en moet men lijden onder tweedracht?” De actualiteit van vandaag lijkt niet veel vrolijker. Overal oorlog, of oorlogsdreiging, kinderen verhongeren, vrouwen worden vermoord, jeugdbendes maken steden onveilig, tweedracht en polarisatie in de politiek.
“Heer geef ons meer geloof”, dat zouden wij in onze dagen de apostelen wel na kunnen zeggen. En kijk dan eens naar dat vreemde antwoord van Jezus op die vraag; “Als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje, zegt dan tegen de moerbeiboom…” Je zou het antwoord van Jezus kunnen horen als een verwijt, maar ik weet niet of dat juist is. Misschien was het geloof er toen nog niet meteen maar later hebben de apostelen wel degelijk het geloof van een mosterdzaadje gehad. Anders hadden wij hier vandaag niet gezeten. Dat mosterdzaadje van het geloof van de apostelen zorgt tweeduizend jaar na dato voor meer dan 2 miljard christenen.
Natuurlijk moeten we dat beeld van die moerbeiboom die zich in zee zal verplaatsen, niet letterlijk nemen. Jezus vertelt geen onzin en geloof geeft ons geen trukendoos in handen. Wat zegt Hij dan met dit beeld? De boom met wortels diep in de grond, laat ons iets zien van de natuur; van wat natuurlijk, van wat gewoon is, wat we gewend zijn, wat normaal is. Maar, zegt Jezus, dat natuurlijke, dat gewone en normale, dat zo vast in de grond zit, dat zo vast zit in ons ook, dat zal zich onderwerpen aan een hogere macht, een macht die het gewone en natuurlijke overstijgt, de macht van God. En daar heb je maar een klein geloof voor nodig; een geloof zo groot als een mosterdzaadje.
En om dit nog verder door te laten dringen vertelt Jezus dan die parabel. Een knecht die ploegt of wiens werk bestaat uit het verzorgen van vee… Dat is het gewone leven, wat natuurlijk is, dat is wat we te doen hebben, dat is te overzien. Daarmee hebben we onze plek in de samenleving, daarmee verdienen we de kost. Maar zo te leven is nog niet delen in Jezus’ droom van het Rijk Gods. Als we doen wat ons wordt opgedragen - dat ploegen en verzorgen – en niet verder kijken, dan inderdaad zijn we maar gewone knechten. Knechten, slaven van de natuurlijke machten rondom ons. Mensen die meer geleefd worden, dan dat ze vrij leven. "Maar jullie", hoor ik Jezus over de apostelen heen aan ons zeggen, "jullie hebben een missie. Aan jullie wordt gevraagd om je te bevrijden van de natuurlijke machten die het leven in hun greep hebben, jullie moeten die machten overstijgen. Aan jullie wordt gevraagd om in vertrouwen op God, beeld te zijn voor een andere samenleving. Een samenleving die zich niet hoogmoedig en veeleisend afkeert van God, maar Hem wil dienen in nederige dienstbaarheid".
Nederige dienstbaarheid aan God en aan elkaar, dat zijn toch wel woorden waar veel mensen vandaag de dag van gruwen. Dat dat zo is, dat heeft wellicht ook wel weer zijn oorzaak in de geschiedenis, maar toch is het de enige weg naar volledig en heel mens worden; nederige dienstbaarheid aan God. Niet omdat God iets van ons nodig zou hebben. God heeft helemaal niets van ons nodig. Nederige dienstbaarheid aan onze Schepper komt enkel ten goede aan onszelf omdat we daarin volledige verzoening vinden met onszelf en met alles wat leeft om daarmee het eeuwige leven binnen gaan.
Voor mensen die zich bij vervelende situatie en gebeurtenissen ook die vraag stellen; Waar is God? Ik merk er zo weinig van en ik snap niet waar ik het aan verdiend heb of waar dit goed voor is -voor mensen die door alle moeilijkheden van het leven hun geloof dreigen te verliezen-, heb ik nog een mooi beeld ontleend aan bisschop Robert Barron. Hij zegt; “Als je toevallig één losse bladzijde uit een roman zou vinden en je leest die ene pagina, dan kan dat eruit zien als volstrekte onzin. Maar het is ook maar een klein stukje uit een groot verhaal. Zo ook met ons leven. We beleven vandaag een enkele pagina uit dat hele boek en dat kan ons pijnlijk of onzinnig overkomen. Het is dan ook maar een klein stukje uit een heel groot verhaal. Misschien dat iemand zal zeggen; “Maar mijn hele leven is één mislukking!”. In het verhaal van God is jouw hele leven slechts een speldenprik. Voor God zijn duizend jaren als één dag. Jij kunt niet overzien welke betekenis jouw leven heeft in die grote roman die God met ons schrijft. Ogenschijnlijk liep het leven van Jezus ook uit op een grote mislukking uit, maar voor iemand met het geloof van een mosterdzaadje werd het de grootste gebeurtenis in de hele wereldgeschiedenis.
Het is belangrijk om dat geloof, al is het zo groot als een mosterdzaadje, levend te houden. De eucharistie die we zo meteen weer mogen vieren is daartoe de beste voeding. Moge het u wel bekomen. Amen.
De laatste decennia zijn wij Jezus nogal gaan zien als het Lieve Heertje dat van iedereen houdt en alles wel goedvindt. Maar als je hier elke week komt en goed naar de Evangelielezingen van de laatste tijd geluisterd hebt dan hoor je toch ook iets anders.
Dat Jezus van iedereen houdt, dat God van alle mensen houdt; dat staat zo vast als een huis. Jezus heeft zich nota bene laten kruisigen omwille van Zijn liefde voor ons. Maar dat Jezus van alle mensen houdt, wil bepaald niet zeggen dat Hij alles wel goed vindt wat wij doen. Integendeel; juist omdat Hij zoveel van ons houdt en niet wil dat wij verloren gaan, stelt Hij zich radicaal op tegenover onze zondigheid. Ergens zegt Hij bijvoorbeeld dat het beter is handen af te hakken en ogen uit te rukken, dan dat er met die handen en ogen gezondigd zou worden.
Kijken we even naar het Evangelie van vandaag en stelt u zich dat eens voor; Jezus is op weg naar Jeruzalem en “talloze mensen” trekken met hem mee. “Hele drommen of vele scharen” staat er in andere vertalingen. En dan ineens keert Jezus zich om en zegt die snoeiharde woorden; dat je je vader en moeder, je vrouw en je kinderen, je eigen leven moet haten om Hem te kunnen volgen. Je zou haast denken dat Jezus de mensen wil wegjagen, maar zo is het niet. Het woord “haten”, valt hier natuurlijk erg op. Het lijkt helemaal haaks te staan op al dat andere wat het geloof ons leert; “eer je vader en je moeder, heb de naaste lief als jezelf”. Wij moeten de angel niet uit Jezus’ woorden halen door ze een beetje in onze eigen richting te vertalen, ook al denk ik niet dat het “haten” wat Jezus hier bedoelt precies overeenkomt met wat wij vandaag onder “haten” verstaan. Uit het oude testament kennen we het verhaal van Jacob die na zeven jaren zwoegen niet zijn grote liefde Rachel tot bruid krijgt aangewezen, maar Lea. Hier wordt dan van Jacob gezegd dat hij Rachel liefhad, maar Lea haatte. En hier betekent het dat Lea voor Jacob duidelijk op de tweede plaats kwam. In deze zin bedoelt Jezus wellicht dat scherpe woord “haten”. Om Hem te volgen moet je alles, je ouders, je vrouw, je kinderen, ja zelfs je eigen leven op de tweede plaats zetten.
Ik hoef u niet te zeggen wat er dan op de eerste plaats moet staan. We weten wat, of beter, Wie er voor Jezus op de eerste plaats heeft gestaan. God de Vader en het Rijk Gods, dàt is waar het om gaat. Ten opzichte daarvan dient alles, maar dan ook alles, op de tweede plaats te komen. Alles wat wij hebben en zijn is van tijdelijke aard, maar het Rijk Gods heeft eeuwigheidswaarde.
En toch..... Met die voorstelling, dat het allereerst om God gaat, zou je kunnen denken dat dit aardse leven niet belangrijk is. Maar dat is het natuurlijk wel. Juist ook als God voor ons op de eerste plaats staat, erkennen wij en eerbiedigen wij het leven zoals Hij het ons geeft, ook als dat een tijdje wat moeilijker gaat. Als God voor ons op de eerste plaats staat, dan hebben we alles en iedereen lief die Hij ons gegeven heeft, maar dan haten we alles en iedereen die probeert om de eerste plaats in te nemen. De eerste plaats is voor God, voor niets of niemand anders.
Maar het roept wel een serieuze vraag in ieder van ons op; Staat God werkelijk op de eerste plaats in ons leven? Willen we dat eigenlijk wel? Anders gesteld; Is God eigenlijk wel het ene, alles overstijgende belang? Nog anders gesteld: Is God het waard om door ons op de eerste plaats gezet te worden? Want kijk eens om je heen. Hoeveel mensen gaan niet flierefluitend door het leven en trekken zich van God noch gebod iets aan? Waarom zouden wij ons dan druk maken over wat er in de Bijbel staat, of om de Tien Geboden of om wat Jezus ons te vertellen heeft? En al helemaal; waarom zouden we bereid zijn om een kruis op te nemen als we het ook links kunnen laten liggen?
Hier gaat het natuurlijk om de kern van ons geloof. Geloof ik werkelijk in God de almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde? Geloof ik werkelijk n Jezus Christus, zijn enige Zoon onze Heer? Geloof ik inderdaad in de opstanding van de doden en het leven in het komend Rijk? Voor iemand die dàt werkelijk gelooft, is het helemaal geen vraag meer of God op de eerste plaats moet staan.
Jezus stelt aan de mensen, aan ons, niet de vraag of we Hem achterna willen lopen, maar of we Zijn leerling willen zijn; of we dus willen leren om te leven zoals Hij. Dat wil zeggen of wij ons leven in overeenstemming willen brengen met Gods bedoelingen, zoals Jezus dat heeft gedaan, met de eventuele consequenties van het kruis. Niet voorop stellen wat wijzelf allemaal willen en moeten, maar wat Hij wil. En dan zegt Jezus terecht; “Denk toch vooral niet dat het gemakkelijk is om Mij te volgen”. Dat illustreert Hij vervolgens met de parabels over die bouwer die goed moet nadenken voor hij aan zijn bouwwerk begint, en die strijder die moet overwegen of hij de vijand wel de baas zal kunnen zijn.
Het is een ernstig betoog, ik kan het ook niet helpen. Maar ècht christen zijn vraagt nou eenmaal dat wij anders zijn dan de gemiddelde meeloper. Dat wij onze nek durven uitsteken tegen het kwaad. Dat wij durven uitkomen voor dàt waar het in het leven echt om gaat. Er zijn onder ons zoveel waarden die steeds verder wegzakken in het moeras. Denk aan abortus en euthanasie die zich op een glijdende schaal bevinden. Het wordt steeds gewoner gevonden om zèlf over leven en dood te beslissen. Denk aan de teloorgang van het huwelijk en het groeiende gemak waarmee men meerdere relaties achter elkaar, of soms zelfs naast elkaar, onderhoudt. In deze zin maak ik mij ook grote zorgen over onze regering. Het gaat daar niet om trouw aan de waarheid, maar om zoveel mogelijk stemmen te trekken met een populair geluid. En dat moet ook wel want je hebt die stemmen nodig om überhaupt mee te doen.
Maar Jezus volgen betekent dat ja, ja is en nee, nee. Dat je het leven neemt zoals God het je geeft, ook al komt dat soms wat minder goed uit. Jezus volgen betekent dat je soms een kruis te dragen krijgt, maar voor diegene die het èchte leven zoekt is Hij de Weg, de Waarheid en het Leven. Laten wij ons dus tot God keren en bidden dat Hij ons helpen mag om steeds meer te leven naar Zijn bedoelingen. Amen.