Vandaag, op deze vijftiende zondag in het kerkelijk jaar, horen wij enkele klassiekers uit de heilige Schrift. Natuurlijk is daar die overbekende parabel van de barmhartige Samaritaan. Maar ik zou toch graag eerst naar de eerste lezing kijken uit het boek Deuteronomium. Het gaat daar over een belangrijk principe waaraan de moderne mens steeds minder een boodschap lijkt te hebben; de natuurwet. Dat is niet zozeer een wet van regeltjes en punten en komma’s, maar het gaat hier over het principe dat er iets zou bestaan dat van nature goed is of slecht. De moderne mens schuift alsmaar verder op in de richting van het relativeren; “Er bestaat geen universeel goed. Wat goed is, dat is datgene wat voor mij goed is”. En het kan dus zomaar zijn dat wat de een goed vindt, de ander juist slecht vindt. En we mogen ons niet meer met elkaar bemoeien, want "ieder zijn eigen mening". Maar als er geen universeel goed erkend wordt, dan heeft iedereen dus ook zijn eigen gelijk. En een land waarin iedereen zijn eigen gelijk heeft, valt natuurlijk niet meer te besturen. De een frustreert het bestuur met eindeloze vergaderingen om toch maar recht te doen aan ieders eigen gelijk en de ander frustreert het bestuur door het eigen gelijk dan maar met geweld af te dwingen.
Maar zo zit de wereld dus niet in elkaar. Ook al willen velen hem niet meer kennen er is wel degelijk sprake van een natuurwet. Er is aan de mens iets gegeven als richting en de 10 geboden zijn daar een soort samenvatting van. Het Bijbelboek Exodus, maar meer nog Deuteronomium gaan over die natuurwet. Vandaag lezen we daar een mooie passage uit. “De geboden die ik u heden geef zijn niet te zwaar voor u en zij liggen niet buiten uw bereik. Zij zijn niet in de hemel, ze zijn niet overzee. Nee, het woord is dicht bij u. Het in uw mond, het is in uw hart. Gij kunt het dus volbrengen”. Er is iets waarvan alle mensen, waar ook ter wereld, van nature aanvoelen dat het goed is of slecht. Vervolgens weet ook iedereen van nature dat het goed is om het goede dan te doen en het slechte te vermijden.
Een vooraanstaande moraalfilosoof onderscheidt een aantal basisprincipes die elke mens erkent als goed en die het derhalve waard zijn om gezocht te worden. Ik noem er vijf. Het eerste is leven; we snappen allemaal dat het goed is om leven te bevorderen en om alles wat tegen het leven ingaat te vermijden. Het tweede is; wetenschap; we snappen allemaal dat het beter is iets te weten dan niets te weten en dom te blijven. Het derde is; spel. Alle mensen begrijpen spontaan dat iets goed kan zijn, enkel en alleen omdat het leuk is. Sport, spel, theater, kunst, in zichzelf nutteloos misschien, maar leuk om te doen of om naar te kijken, goed voor alle mensen waar ook ter wereld. Het vierde is; vriendschap. De mens is nou eenmaal een sociaal wezen en zoekt spontaan naar contact met andere mensen. En het vijfde is religie. Vrijwel alle mensen zoeken een vorm van transcendentie, een hogere macht of een hoger doel. Spontaan erkent iedereen dat er meer moet zijn onder hemel en aarde. Dus er is wel degelijk iets van een natuurwet, een aanvoelen van wat goed en kwaad is. Het is ingeschapen in iedere mens. De vraag is dan; wat voor mens wil ik zijn?
En wenden wij ons daarmee dan tot het Evangelie. “Wat moeten wij doen om het eeuwig leven te verwerven?” Want dat is ook onze vraag. “Hoe wordt ik wie ik bedoeld ben te zijn?” Ofwel; “Hoe leef ik zo dat ik volkomen één wordt met mijzelf” of met woorden die we vandaag de dag niet meer zo gemakkelijk uitspreken; “Hoe wordt ik heilig?” Jezus verwijst de wetgeleerde (en ons dus ook) naar wat hij eigenlijk allang weet; “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, met geheel uw ziel, al uw krachten en geheel uw verstand en de naaste als uzelf”. Als de wetgeleerde daar niet genoeg aan heeft en wil weten wie hij als zijn naaste moet zien, dan komt Jezus met de parabel van de barmhartige Samaritaan, waarbij elke verdere uitleg overbodig is. Het woord is dicht bij. Je hoeft het niet ver te zoeken, het is in uw mond het is in uw hart. Je kunt het dus volbrengen.
Op de klacht dat de Bijbel zo’n moeilijk boek is, schijnt monseigneur Mutsaerts eens gezegd te hebben, dat wij ons niet zo druk moeten maken over wat we allemaal niet begrijpen, maar dat we zouden kunnen beginnen met te doen wat we wel begrijpen. Dat vond ik een waar woord want als we proberen te doen wat we wel begrijpen, dan hebben daar onze handen meer dan vol aan. God beminnen? Ja!. Maar met heel ons hart, met heel onze ziel, met al onze kracht al ons verstand? Een uurtje op zondag dat is al heel wat, voor velen.. En de naaste beminnen als onszelf? Pffff. daar hebben we toch ook nog wel wat te doen. Zeker als we ons realiseren dat Jezus met die parabel bedoelt dat wij ook onze vijanden zouden moeten zien als onze naasten. God beminnen en de naaste als onszelf. Genoeg te doen dus, maar niets op eigen kracht. Allereerst moeten we ons bekeren tot God en in Zijn liefde de kracht zoeken om naast de ander te kunnen gaan staan. Het is dan ook met die bedoeling dat wij steeds opnieuw Eucharistie vieren. Amen.
U kent het gezegde “Rome zien en dan sterven”. Het staat voor die dingen waarvan we vinden dat we ze in elk geval één keer in ons leven zouden moeten meemaken, of gezien moeten hebben. Nou, ik ben er pas weer een keer geweest en het is ook echt een stad die je een keer gezien en gevoeld zou moeten hebben. Waar je ook kijkt, je móét wel onder de indruk komen van de stad die één en al wereldgeschiedenis en cultuur ademt. Zo zijn daar bijvoorbeeld de ruïnes van het Circus Maximus, een paardenrenbaan met plaats voor meer dan 100.000 toeschouwers, met privé-loges voor de keizer en zijn gevolg. Of zo mogelijk nog indrukwekkender, de adembenemende grootsheid van het Colloseum. Allemaal speeltjes van de Romeinse keizers en uitdrukking van hun macht en dominantie; uit het begin van onze jaartelling, je kunt er niet omheen. Daar hielden zij hun spelen, daar kwamen de groten der aarde bij elkaar.
En stelt u het zich eens voor: in het jaar 60 na Christus komt daar, in het centrum van de politieke macht van de wereld, een zekere Simon bar Jona, Hebreeuws voor Simon zoon van Jona, een visser uit Galilea, een volslagen betekenisloos figuurtje uit een volslagen nietszeggend dorpje, zijn intrek nemen. Waarschijnlijk in de wijk Trastévere, die nu helemaal vol staat met gezellige restaurantjes. En deze Simon geeft zich uit voor de vriend van Joshua of Jezus van Nazareth, die door een andere grote Romeinse machthebber, Pontius Pilatus is vermoord; maar, zo beweert deze Simon Petrus “Die is opgestaan uit de dood”. En zo verklaart Petrus tegen alles en iedereen in, dat niet de keizer, die destijds een goddelijke status kende, maar deze vermoorde en opgestane Jezus, de Heer van de wereld is. De machtige Romeinen keken niet op een lijk meer of minder en dus werd deze brutale ordeverstoorder al gauw, in het Circus waar Nero zijn misdadigers in het openbaar executeerde, naar men zegt, gemarteld en op zijn kop aan een kruis gehangen. Vervolgens werd hij begraven op de Vaticaanse heuvel, die destijds nog buiten het stadscentrum lag. Voor de Romeinen; opgeruimd, begraven en vergeten. Althans dat dacht men. Want wat is er nu over van dat machtige Romeinse keizerrijk? Waar is de opvolger van de grote keizer Nero? Wat is er over van het machtige Forum Romanum, het Colloseum en het Circus Maximus? Inderdaad; er is geen opvolger van Nero en van de machtige bouwwerken resten alleen nog ruïnes. En waar is het rijk van die Simon bar Jona? Overal waar je kijkt! Verspreid over de hele wereld, vind je levende kerken en gemeenschappen die gebouwd zijn op de verkondiging van de apostelen Petrus en Paulus. En de opvolger van Petrus, de 266ste in een onderbroken lijn, Leo de 14e, heeft ons onlangs nog vol glans de zegen gegeven vanaf het bordes van de St. Pieter.
En dat brengt ons bij het Evangelie van vandaag. Want nadat Petrus Jezus heeft beleden als de Christus, de zoon van de levende God, zegt Jezus; “Gij zijt Petrus en op deze steenrots zal ik mijn Kerk bouwen en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen”. En inderdaad op de Vaticaanse heuvel, boven op de rots die Petrus is, letterlijk op zijn graf, is inderdaad de Kerk gebouwd die in geen 2000 jaar door de poorten van de hel overweldigd is. Alle aanvallen, of die nu van binnenuit gekomen zijn of van buitenaf, de Kerk heeft ze allemaal weerstaan. Het is allemaal geen fantasie geen symbolisch gepraat. We kunnen zelf de directe lijn zien tussen de woorden van Jezus, wat er vandaag in Rome leeft en van daaruit over de hele wereld, tot hier bij ons, hier in deze kerk.
Jezus verkondigde Gods liefde tot aan de dood in het religieuze centrum van de wereld; Jerusalem. Maar zoals Hij zelf al zei: “Als Mij de mond gesnoerd wordt zullen de stenen spreken”. Petrus en Paulus verkondigden de liefde van God tot aan de dood in het politieke centrum van de wereld: Rome. Maar de poorten van de hel hebben hun werk niet overweldigd; Wij zelf, hier, zijn daarvan het levende bewijs. Amen.
Met deze zesde zondag van Pasen, naderen we met rasse schreden het Pinksterfeest. En op deze laatste zondagen lezen we steeds een stukje uit de afscheidsrede van Jezus, zoals Johannes die heeft opgeschreven. Het zijn korte stukjes, maar steeds met een enorme rijkdom en diepgang. Liefst zes verschillende thema’s worden vandaag door Jezus aangesneden; het verband tussen de liefde voor Jezus en het onderhouden van Zijn woorden, het verblijf van Jezus en de Vader, bij hen die in Hem geloven, de zending van de heilige Geest, de Helper, het geschenk van vrede, Jezus’ heengaan en terugkeer, en de aansporing tot blijmoedig geloof.
In deze tijd tussen Pasen en Pinksteren lezen we ook elke zondag nog een stukje uit het allerlaatste Bijbelboek; dat van de Openbaring van Johannes. Dat is een behoorlijk pittig boek. Zonder gedegen kennis van het Oude Testament is er nauwelijks een touw aan vast te knopen. Daarbij zijn er nogal wat mensen die met een letterlijke uitleg van het boek Openbaring tot de meest angstaanjagende conclusies zijn gekomen. Maar het boek Openbaring gaat niet over een concrete realiteit. Net als het Scheppingsverhaal, is het boek Openbaring een beeld, een visioen, symboliek van hoe het komt en hoe het zal zijn. Beide boeken getuigen van één ding; “God heeft het gedaan!”. Het is ook mooi om te zien hoe de eerste en de laatste woorden van de Bijbel inderdaad op elkaar aansluiten; De eerste woorden luiden; “In het begin schiep God” Het laatste woord: “De genade van de Heer Jezus zij met allen”. God stond aan het begin door mens en wereld te scheppen uit alles wat woest en leeg was. en aan het einde der tijden bekroont Hij dat alles met -genade voor alle mensen-. God gaf ons de Schepping om er van te genieten, maar omdat we zelf voor God zijn gaan spelen, -de eerste stedenbouwer in de Bijbel, Kain, was ook de eerste moordenaar-, omdat we zelf voor God zijn gaan spelen, gaat er steeds van alles mis. De hele Bijbel verhaalt van die worsteling van ons, mensen, met God. Maar hier, op de allerlaatste bladzijden van de Bijbel, schetst Johannes het beeld van wat er gebeuren zal als wij God werkelijk God laten zijn. Dan zal er een nieuwe stad uit de hemel neerdalen; Let goed op; Niet wij met al ons vernuft bouwen die nieuwe stad, nee, ze daalt uit de hemel neer, ze wordt ons gegeven, door God. Niet wij zullen echte vrede bewerken, Jezus geeft ze ons. Wij hoeven de wereld niet beter te maken dan dat hij gegeven is en wij kùnnen de wereld niet beter maken dan dat hij gegeven is. God zelf heeft immers gezegd dat “het goed was”, en bij de Schepping van de mens zei Hij zelfs “dat het heel goed was”. God heeft ons gezegd dat wij Zijn Schepping moeten beheren, niet verbeteren.
De grote misvatting van onze tijd van vooruitgang en wetenschap is dat wij op eigen kracht het leven uiteindelijk zullen veranderen in een aards paradijs. Nee, zegt Johannes: de echte stad van vrede daalt van God uit de hemel neer. En om die stad staan hoge muren. Dat is niet om asielzoekers buiten te houden, dat is om het heilige te beschermen. En in die stad is geen tempel, heel de stad is één tempel van God. Licht is er ook niet nodig want God zelf is het licht. En dan komen we eigenlijk bij de vraag aan ieder van ons. De vraag ook die ieder van ons, persoonlijk zal moeten beantwoorden. Is God werkelijk het Licht voor mij? Want ècht geloof is veel minder vanzelfsprekend dan dat het misschien lijkt. En het is ook niet zo van; “Wel geloof of geen geloof”. Het is altijd “een bepaalde mate van geloof”. We zijn altijd onderweg naar méér geloof. Kerkgang, Onze Vaders, Wees Gegroetjes bidden, de 1ste Communie doen, dat alles zal daar zeker bij helpen, maar uiteindelijk is het niet zeker dat daarmee God ook echt -mijn God- geworden is. Is ons gebed, doorleefd gebed? Staan we genoeg stil, bij wat we zeggen en vragen? Beseffen we ècht wat het is “Zijn Lichaam en Bloed, voor ons gegeven?’ Proberen we oprecht Jezus’ woord te onderhouden? Waar het tenslotte om gaat is of wij echt op Hem leren te vertrouwen in voor –en tegenspoed.
De laatste woorden van Jezus in het Evangelie van vandaag lijken een soort lakmoesproef voor ons geloof; “Als gij Mij zoudt liefhebben, zoudt gij er blij om zijn dat Ik naar de Vader ga”. Wie van ons lukt het al om blij te zijn als iemand naar de Vader gaat? Verstaat u mij niet verkeerd; natuurlijk ben je eerst verdrietig als iemand van wie je houdt dood gaat. Jezus zelf huilde ook toen zijn vriend dood ging. Maar Gods almachtige goedheid in gedachte houdend zou, na de eerste emotie, toch ook het vertrouwen moeten komen. Het vertrouwen dat de overledene bij God is, en dat hij of zij daar goed af is. Overigens denk ik niet dat we het verlies van onze eigen dierbaren zomaar gelijk kunnen stellen aan het heengaan van Jezus. Van Jezus is zeker dat Hij bij de Vader is, maar dat kunnen we niet zomaar van alle mensen zeggen. Maar dat Jezus naar de Vader gaat, dat opent voor ons, leden van Zijn lichaam dat de Kerk is, in elke geval wel dezelfde mogelijkheid. En dat zou de grote vreugde moeten zijn die ervan uitgaat. Ondertussen staat ons hier nog een belangrijk ding te doen; “Zijn woord onderhouden”.
Amen.
Lezen wij de drie Evangelies van Marcus, Lucas en Matheus helemaal door, dan krijg je daaruit niet de indruk dat Jezus veel over de liefde gezegd heeft. Veel minder dan uit woorden spreekt de liefde van Jezus uit Zijn daden. Zoals daar zijn; de vele genezingen, de zorg voor de armen, de vergevingsgezindheid en barmhartigheid waarmee Jezus de zondaars bejegent, het medelijden met de verschoppelingen en de uitgestotenen van de samenleving, enzovoorts. Jezus spreekt niet over de liefde maar Hij hééft eenvoudig lief.
Hoe anders is dat in het Evangelie van Johannes. Vanaf het 13e hoofdstuk spreekt Jezus met een waterval aan woorden alleen nog maar over liefde en liefhebben. Zojuist hebben we een van de kortste Evangelie-fragmenten van het hele jaar gehoord. Het kortste misschien, maar tegelijkertijd ook het meest veeleisende. „Een nieuw gebod geef Ik u: gij moet elkaar liefhebben; zoals Ik u heb liefgehad”; dat zegt Jezus in Zijn laatste toespraak voordat Hij gevangen genomen wordt en ter dood gebracht. “Een nieuw gebod, elkaar liefhebben zoals Ik u heb liefgehad”. Het gebod van de naastenliefde was heus wel bekend in de joodse leefwereld, maar het volslagen nieuwe zit hem in die laatste woorden; “zoals Ik u heb liefgehad”.
Liefhebben zoals Jezus ons heeft liefgehad. Als wij de diepte van die vraag van Jezus in ons toelaten dan zal ons niets anders overblijven dan heel klein te worden, op de knieën te vallen en te smeken om Zijn barmhartigheid. Want mijn God, wat zijn wij met zijn alle ver weg van de vervulling van die opdracht! “Liefhebben zoals Hij ons heeft liefgehad!” Ik durf gerust te stellen dat wij geen van allen ook maar in de buurt komen van de liefde die Jezus aan de mensen, aan ons betoont heeft. Want wat betekent dat; liefhebben zoals Hij heeft liefgehad? Het is dezelfde liefde die een Samaritaan betoont aan een vijandige, joodse hulpbehoevende. Of Jezus, die de knecht van een militaire bevelhebber van een vijandig regiem geneest. Hij verlost de dochter van een Syrofenicische vrouw van een kwelgeest. In één woord; De liefde van Jezus doorbreekt de etnische grenzen en wetten die door het jodendom -en vaak ook nog door ons-, zorgvuldig in stand gehouden werden en worden.
De naastenliefde zoals Jezus die begrijpt, heft het onderscheid op tussen vriend en vijand. Want dit zijn Zijn eigen woorden; “Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten, zegent hen die u vervloeken en bidt voor hen die u mishandelen. Als iemand u op de ene wang slaat, keer hem dan ook de andere toe. Geeft aan ieder die u iets vraagt en als iemand wegneemt wat u toebehoort, eis het dan niet terug. Als gij bemint wie u beminnen, wat voor recht op dank hebt ge dan? Ook de zondaars beminnen wie hen liefhebben. En zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Nogmaals, als we Jezus serieus nemen, en dat zouden we wel moeten doen, dan is het niet gek om in elke mis drievuldig onze schuld te belijden; “door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld”.
Liefhebben zoals Hij ons heeft liefgehad. Het is niet gebleven bij mooie woorden; Jezus noemt Judas zijn “vriend”, op het moment dat Hij door hem verraden wordt. Jezus bidt voor degenen die Hem aan het kruis nagelen; “Vader vergeef het hen, want ze weten niet wat zij doen”. Tenslotte geeft Hij Zijn leven in totale onderwerping aan de wil van zijn hemelse Vader daarmee een bewijs gevend van Zijn liefde voor ons tot het uiterste toe. “Hebt elkaar lief, zoals Ik u heb liefgehad”. Er is eigenlijk geen zin in de Bijbel te vinden die sterker tot bezinning oproept dan dit woord van Jezus.
Nog een kleine toevoeging; mensen van deze tijd denken bij het woord liefde vooral aan sterke positieve emoties, meestal tussen man en vrouw. Maar als het in de Bijbel over liefde gaat denken ze zeker niet op de eerste plaats aan mooie gevoelens. Mooie gevoelens komen en gaan want die zijn afhankelijk van wisselende gemoedstoestanden en omstandigheden. Daar hebben we weinig of geen controle over en daar kun je dan ook geen gebod van maken.
Als de Bijbel spreekt over liefde dan betekent dat vooral het goede willen voor de naaste, maar nog veel belangrijker; het goede doen voor de naaste. En dat hebben we wèl zelf in de hand. Je kunt geen mooie gevoelens hebben bij je vijand, maar je kunt desondanks iets goeds voor hem doen. Het nieuwe gebod van Jezus vraagt niet van ons dat we positieve gevoelens en diepe sympathie koesteren voor iemand die ons haat en die voor ons de bron is van grote moeilijkheden. Het vraagt wel dat wij hem vergeven en dat wij het kwaad dat hij ons berokkent niet met kwaad vergelden, maar bidden om zijn welzijn.
“Liefhebben zoals Hij heeft liefgehad”. Als we nu, met dit gebod in gedachten even rondkijken in onze kennissenkring dan zullen we allemaal heel goed weten waar en tegenover wie wij onze houding eens grondig zouden moeten bijstellen. En mocht iemand zich zo ernstig tekort geschoten weten dat hij of zij in schuldgevoel dreigt te verdrinken weet dan ook dat Jezus er niet is voor de gezonden maar voor de zieken. 70 x 7 keer vraagt Jezus ons om te vergeven; dan zal Hij het zelf zeker niet minder doen. Amen.