Groter dan ons hart

Pieter Raaijmakers

Groter dan ons hart
25 Januari 2019

Groter dan ons hart

OVER DE NAAM

De naam van deze website is ontleend aan een lied van Huub Oosterhuis en Antoine Oomens dat mij diep geraakt heeft toen ik op zoek was naar een fundament onder mijn leven. Het is maar de halve zin want eigenlijk staat er “Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart”. Het gaat over een Gij die geen naam heeft maar wiens betekenis ons, mijn hart, ver overstijgt.

OVER MIJ

Ik ben Pieter Raaijmakers, van “paplepelkatholiek” geworden tot “fundamenteel katholiek”. Natuurlijk weet ik dat dat woord aversie oproept omdat het tegenwoordig direct in verband gebracht wordt met terrorisme, maar ik bedoel het in de zin zoals van Dale het omschrijft “betreffende de grondbeginselen”. Eigenlijk klopt het ook weer niet helemaal want als ik echt een fundamenteel katholiek zou zijn, dan was ik een heilige. Dat zou ik wel willen, maar ik ben er verre van.

8 Maart 2026

"Niets meer te wensen en toch niet gelukkig". 3e zondag Veertigdagentijd A 2026

“Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”; aan dat boek van de joodse rabbijn/filosoof Harold Kushner moest ik denken bij het lezen van het Evangelie van vandaag. “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”. Het hele Evangelie van Johannes kent een bijzonder soort taal met vaak meerdere lagen van betekenis. Zo ook het verhaal van de Samaritaanse vrouw bij de bron. Er gebeurt hier nogal het een en ander. Voor de tijd waarin Jezus leefde was Zijn optreden hier revolutionair. Op de eerste plaats worden Samaritanen door de Joden gezien als ketters, die ze met de nek aan kijken. Jezus niet; hij gaat spontaan in gesprek, niet eens met een Samaritaan, maar ook nog eens met een Samaritaanse; met een vrouw dus. Dat het verhaal zich afspeelt bij een bron heeft ook nog weer een extra betekenis; Alleen bijvoorbeeld al omdat water zo van levensbelang is in het gortdroge Midden-Oosten. Maar de ontmoeting tussen een man en een vrouw bij een bron, verwijst voor de Bijbelvaste Jood onmiddellijk naar het huwelijksverbond. Alle grote huwelijken die in de Bijbel beschreven worden zijn immers ontstaan bij een waterput: Jacob vindt er zijn Rachel, Mozes Sipporra en voor Isaac wordt Rebecca gevonden bij een waterbron. Is Jezus hier dan een beetje aan het flirten met die Samaritaanse? In zekere zin wel.

De relatie tussen God en de mens wordt in de Bijbel vaker uitgedrukt als een huwelijksverbond; God is daarin de bruidegom, de mens Zijn bruid. En in deze zin is Jezus, als bruidegom, deze vrouw aan het verleiden tot een huwelijk; niet voor zichzelf, privé, maar om haar terug te brengen bij God. Dat is per slot van rekening de hele missie van Jezus komst in deze wereld; de mensheid bevrijden uit de banden van de dood en haar te brengen tot het eeuwige bruiloftsmaal bij God. En hier zien we dat de Samaritaanse vrouw behoorlijk verdwaald is; vijf mannen heeft ze gehad en ze is nu met de zesde bezig. Dat brengt me even terug bij de titel van dat boek: “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”.

En dan horen wij dat gesprek van Jezus met de vrouw over dat water. Het gaat kennelijk over twee verschillende soorten water; het aardse, het materiële, het lichamelijke, dat water waar je nooit genoeg van krijgt en een ander soort water. Misschien mag je zeggen; het geestelijke water. Een totaal ander soort water. Water dat aanzet tot enthousiasme, geestkracht, geloof.  Een soort water waarbij je, als je ervan gedronken hebt, overloopt. Zoals de vrouw onmiddellijk overloopt van enthousiasme en iedereen die het horen wil, gaat vertellen, niet over die waterbron, maar over de bron die Jezus is. En zo borrelt dat water nog steeds op uit die bron; 2000 jaar ononderbroken uit het hart van onze Kerk, de Eucharistie.

Misschien mag ik proberen om het nog wat inzichtelijker te maken. Wij mensen zijn wezens die leven tussen hemel en aarde. Terwijl we ten diepste verlangen naar het hemelse, eeuwige geluk, ligt het aardse voor ons veel meer voor de hand. Het hemelse, het eeuwige geluk is niet direct tastbaar; het bestaat voor de aardse mens enkel als een belofte. Na alles wat we in de Bijbel lezen, en over Jezus weten een heel aannemelijke belofte, maar....., toch nog steeds alleen een belofte. En daar moet je dus in geloven. Als aan Jezus gevraagd wordt wat wij moeten doen, dan is Zijn antwoord; “Te geloven in Degene, die God gezonden heeft.”

Wij spreken van moeder aarde, moeder, mater, materie, materialisme. Materie is alles wat op aarde te vinden is; datgene wat we zien en proeven en aan kunnen raken. En het grote gevaar voor een mens die de Schepper niet herkent, die God niet kent, het grote gevaar voor die mensen is, dat ze denken dat ze hun geluk alleen kunnen vinden in het aardse, in die materie. Dus als ze zich niet echt gelukkig voelen, duiken ze nog dieper in de materie, raken toch weer gefrustreerd en kunnen dan alleen bedenken, dat ze nog meer of misschien heel andere materie nodig hebben om gelukkig te worden. Zij drinken gulzig van het water waar ze steeds opnieuw dorst van krijgen. "Ze hebben vijf mannen gehad". “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”.

Maar wat is dan toch dat levende water waar Jezus het over heeft? Dàt levende water heeft vele namen: de verzoening met God, het kindschap van God, het eeuwige leven, de heilige Geest die in je leeft, de heilig makende genade, de verlossing. Door het leven schenkende water van het doopsel hebben wij dit alles al ontvangen en zijn we kinderen van God geworden. Geliefd door de Vader die over ons waakt. “Wees maar niet bang”, in Hem zijn wij veilig wat er ook gebeurt. Is er iets aards, iets materieels te bedenken dat belangrijker is dan dat?

Laten we dan, in onze opgang naar Pasen, extra moeite doen om verbonden te raken of te blijven met die levende bron die Jezus Christus is. Laten we met Hem meetrekken door de ultieme angst, de dood, heen, voorgoed bevrijdt van alle angsten die ons terug zouden werpen in de materie. Amen.

 

11 Februari 2026

Zout der aarde? 5e zondag dhjr. A 2025

Meteen na de zaligsprekingen die we vorige week in het Evangelie hoorden, zegt Jezus tot degenen die Hem gevolgd zijn, en over hun hoofden heen dus tot ons; “Gij zijt het zout der aarde”. Omdat deze uitspraak onmiddellijk volgt op de zaligsprekingen moeten we die twee zaken niet van elkaar losmaken. Wat Jezus duidelijk wil maken met de beelden van zout, licht en de stad op de berg is dat zijn volgelingen een voorbeeldfunctie hebben. Maar deze voorbeeldfunctie wordt alleen effectief in de mate dat de zaligsprekingen daadwerkelijk beleefd worden. Wij zijn het zout der aarde, het licht der wereld in de mate waarin wij behoren tot degenen die arm van geest zijn, als wij in onze wereld redenen zien om te treuren, als wij barmhartig zijn, zuiver van hart, als wij hongeren en dorsten naar gerechtigheid, en als wij eventuele vervolging om onze relatie met Christus niet schuwen.

De beelden die Jezus gebruikt om te laten zien hoe zijn leerlingen in het leven moeten staan zijn eenvoudig en duidelijk; ze moeten zijn als zout, licht en een stad op de berg. En die beelden hebben een krachtige, gemeenschappelijke verwijzing; zij verwijzen alle drie naar iets anders dan naar zichzelf. Het zout is er niet voor zichzelf, maar om smaak te geven aan andere spijzen. Het licht is er niet voor zichzelf, maar om de omgeving in het licht te zetten. Een stad op een berg had in Jezus’ tijd een beetje een soort functie als GPS. Mensen die op reis waren konden zich eraan oriënteren. Zout, licht en de stad op de berg staan dus ten dienste van iets anders dan zichzelf en dat zou ook de houding moeten zijn van mensen die leven volgens de zaligsprekingen; echte christenen zijn niet voortdurend uit op eigenbelang maar staan in dienst van God en mensen. Zij waaien ook niet voortdurend mee met elke nieuwe hype maar zoeken de geboden van God consequent te onderhouden. Zij gehoorzamen Hem ook wanneer Hij zegt, bij monde van de profeet Jesaja bijvoorbeeld; “Deel uw brood met de hongerigen, neem de dakloze zwerver in huis, kleed de naakten die ge ziet en keer u niet af van uw medemens. Dan zal uw licht stralen als de dageraad”. Jezus kende deze passage uit joodse heilige Schrift natuurlijk heel goed en Hij moet eraan gedacht hebben toen Hij zelf sprak over hen die leven volgens de zaligsprekingen;  “Zo moet uw licht stralen voor het oog van de mensen”. Niet tot onze eigen eer en glorie, moet dat licht stralen, maar, zoals het Evangelie besluit: “opdat de mensen uw Vader verheerlijken die in de hemel is”.

Al met al is het toch wel een confronterend geheel. Want doen wij, doe ik, als christen wel zo heel veel anders dan andere mensen? Oh jawel, wij bidden regelmatig, wij zullen sommige elementen van de zaligsprekingen ook zeker wel beleven, maar toch, als het gaat om ons brood echt te delen? Ach, we geven soms wel een paar centen van wat we over hebben, maar echt delen? Naakten om te kleden zijn er niet, maar onze kapitalistische wereldorde maakt toch wel dat er onverdraagbare verschillen zijn in rijkdom en armoede. Kan ik daar wat aan doen? Niet zo gemakkelijk, maar doe ik alles wat ik wel kan? Zijn we in het licht van de zaligsprekingen, voldoende radicaal christelijk, om door de wereld gezien en geproefd te worden als licht en zout? Of hobbelen we gewoon een beetje mee met de gemiddelde orde van de wereld: lauwe christenen die zich een beetje in slaap sussen met de gedachte; “ach, we doen het zo slecht nog niet”. Nee, inderdaad, zo slecht doen we het niet, maar kan het, als we eerlijk zijn, toch ook niet nog veel beter?

Wat helpen kan, is, dat we onze eindbestemming voldoende voor de geest houden; en die eindbestemming is eeuwig leven, eeuwig geluk bij God. Dit leven, deze privileges, deze welvaart, deze gezondheid, deze status, alles waar wij ons aan vastklampen, dit tijdelijke verblijf op aarde, is niet alles waar het leven om draait. Nee, onze eindbestemming is iets, of Iemand anders, zoals we bij elk levenseinde zingen; “Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf. Wij leven en sterven voor God onze Heer, aan Hem behoren wij toe”. Amen.

 

 

 

26 Januari 2026

Kerk wereldwijd

Slechte Bijbelkenners, zoals wij katholieken gemiddeld toch altijd nog zijn, zullen het vreemde vertelsel over het land van Naftali en Zebulon, maar gauw overslaan en verder lezen over het grote licht dat is opgegaan. Want dan weten we weer waar het over gaat; het grote licht van Christus en de komst van het Rijk der Hemelen. Nou wil ik mijzelf zeker niet poneren als een bovengemiddelde katholiek en bijbelkenner, maar als je zo een preek mag voorbereiden, dan wordt je wel een beetje verplicht om je erin te verdiepen. En zo leerde ik dat Zebulon en Naftali in de oudheid twee stukken land waren die, net als de andere gebieden daar, vernoemd waren naar de 12 zonen van de aartsvader Jacob. De 12 stammen die het volk Israël vormden. Maar Zebulon en Naftali lagen in een grensgebied in het noorden. En door buitenlandse invloeden en deportaties waren zij weggedreven van de kern van het joodse volk en de Tempel in Jerusalem. Daarover hoorden wij Jesaja spreken in de eerste lezing; “In het verleden is er oneer gebracht over het land Zebulon en over het land Náftali”, maar in de toekomst wordt er eer gebracht aan de zeeroute, de overkant van de Jordaan en het Galilea van de heidenen”.

In het Evangelie horen we dat terugkomen. Want precies daar begint Jezus zijn prediking; “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij”. Als wij Jezus zo horen spreken denken we vooral in spirituele categoriën, maar voor de Jood en was de komst van het koninkrijk heel concreet. Hun hoogste verwachting van de komst van de Messias lag daarin, dat de 12 stammen van Jacob weer verenigd zouden worden tot één groot volk. En daarom worden die twee afdwalers, Zebulon en Naftali, hier specifiek genoemd. Dat is immers wat Jezus zich ten doel stelt; alle volken te verenigen en thuis te brengen bij de ene God. Daarom begint Hij zijn openbare optreden hier in het grensgebied, het Galilea van de heidenen.

Als we het leven van Jezus goed bekijken zien wij dat Hij geboren is in een stal, een plek waar de dieren thuishoren. Hij wordt gelegd in een kribbe, daar waar men het voedsel van de dieren deponeert. Lager kan niet voor mensen. De volkse verbeelding heeft de stal waarin Jezus geboren werd zelfs voorgesteld als een grot. Ook die suggereert laagte en diepte. Het is alsof de Zoon van God bij zijn komst in de wereld zo laag mogelijk wilde neerdalen, tot bij de dieren in de donkere diepte van de aarde. En dat terwijl wij door heel de geschiedenis heen, God juist spontaan associëren met hoogte. Met de bergen, hoger nog, met de hemel. Als God tot ons komt in de kerstnacht geeft Hij blijk van een ondubbelzinnige voorkeur voor de laagte, symbool voor wat klein, onaanzienlijk is, geminacht en misprezen wordt. Dat patroon zet zich voort als we zien welke mensen het eerst bij het goddelijk kind op bezoek komen; onaanzienlijke, arme woestijnherders en niet-joodse wijzen uit het oosten, heidenen, voor wie de weldenkende joden een diepe minachting hebben. Jezus laat zich dopen in de Jordaan; die ligt ongeveer 350 meter onder de zeespiegel. Het is de laagst gelegen regio van de hele aardbol. En de merkwaardige keuze van de Zoon van God manifesteert zich opnieuw als Hij besluit zich te laten omringen door een twaalftal beperkte volgelingen. Daarvoor wendt Hij zich niet tot de hogere kringen van religieuze gezagsdragers zoals de priesters, hogepriesters, Farizeën of Essenen, ook niet tot de machtige Romeinen.

Nee, Hij gaat het zoeken bij arme landarbeiders, eenvoudige vissers, niet in het machtcentrum Jerusalem, maar in het verloren land van Zebulon en Naftali, het Galilea van de heidenen.

“Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen”;
dat is de houding waarmee Jezus Zijn grote dienstwerk begint
en alle mensen, alle volkeren van de wereld wil verenigen
en terugbrengen bij Zijn Vader, onze Vader, de ene God.

Dat is ook de houding waartoe Hij ons oproept als Hij zegt; “Kom en volg Mij”.
Die dienst aan God en mens heeft Hem als het ware uiteengetrokken aan het kruis.
Eén hand uitgestrekt naar de Vader, de andere naar ons.
Biddend, zoals de Evangelist Johannes het zegt;
“Mogen allen één zijn, Vader, zoals Gij in mij bent en ik in U ben”.

Maar het blijft mensenwerk. We lezen in de brief van Paulus dat er al grote verdeeldheid heerst, ook in de jonge Kerk;

“Dit bedoel ik, dat ieder van u zegt: “Ik ben van Paulus”,
“Ik van Apollos”, “Ik van Kefas”, “Ik van Christus”.
Is Christus dan in stukken verdeeld?”

Is Christus dan in stukken verdeeld? Dat kan hij ook gerust tegen ons zeggen want ook wij hebben zo onze voorkeuren voor deze of gene priester, voor deze of gene bisschop, voor dit of dat gezang. Maar er is er maar Een hier in ons midden die dezelfde blijft, gisteren, vandaag en morgen.

Hij stelt zich steeds opnieuw present in de heilige Eucharistie, waarin we eten van dat ene Lichaam dat ons tweeduizend jaar bij elkaar gehouden heeft.

Kerk wereldwijd; Kerk, waarin alle mensen, rassen en standen, gelijkwaardig (niet gelijk maar gelijkwaardig) en welkom zijn. Amen.

 

 

 

16 Januari 2026

Bevrijd uit de slavernij. Doop van de Heer A jaar 2026

Bij de voorbereiding van jonge ouders op het Doopsel van hun kindje  stel ik altijd een beetje een gemene vraag. Nou, echt gemeen is het natuurlijk niet, het is meer om een soort schokeffect teweeg te brengen waarmee zij zich realiseren dat het Doopsel niet zomaar een vanzelfsprekend symbool is, maar dat het geworteld is in het leven. Ik laat ze nooit lang zwemmen want ik weet van te voren dat ze het antwoord dat ik zoek, nooit zullen geven. De vraag is; hoe zijn de mensen er ooit toe gekomen om te dopen met water? Waarom dat hele doopritueel? Waarom niet gewoon een kruisje of een ander teken? In de beste gevallen geven de ouders een antwoord in de zin van “Water reinigt, wast schoon”. Of; Johannes de Doper riep daarmee op tot bekering. Maar dan nog: hoe is hij ertoe gekomen om te dopen? Die vraag brengt ons terug bij de meest fundamentele ervaring van het Joodse volk; de Uittocht uit Egypte, meer precies; de doortocht door de Rode Zee. Dáár ligt de kiem van wat later ons Doopsel geworden is. Want hier wordt het volk opgeroepen om, onder de bescherming van Gods machtige hand het onmogelijke te doen; door het water heen te trekken, de vrijheid tegemoet, bevrijding uit de slavernij van Egypte. Ook al hebben ze daarna nog heel wat beproeving te doorstaan in de woestijn. Wellicht niet toevallig dat Jezus ook meteen na zijn Doop, zoals het Evangelie zegt; “door de Geest de woestijn wordt ingedreven” om daar “door de duivel op de proef gesteld te worden”. Als Johannes de Doper begint met zijn doopsel is dat dus niet iets wat hij zomaar zelf verzonnen heeft . Hij wil het ontspoorde volk terugbrengen bij haar gelovige wortels; die doortocht door de Rode Zee, die fundamentele ervaring van Gods reddende aanwezigheid. “Herinner je toch hoe God ons volk bevrijd heeft, keer je om van de goddeloosheid, maak een nieuwe Exodus en trek opnieuw door het water”. Dat water is dan nu de Jordaan". 

Maar dan het Doopsel van Jezus. Dat is zoveel meer. En Johannes de Doper weet dat; “Hij komt dopen met de heilige Geest en met vuur”. De Doop van de Heer is zó rijk dat alle aspecten van onze geloofsbelijdenis er als het ware in samenkomen. In het Evangelie van vandaag zien we allereerst de openbaring van de Goddelijke Drie-eenheid; de Vader wijst Zijn veelgeliefde Zoon aan, ware God uit de ware God, één in wezen met de Vader. En de Heilige Geest, die voortkomt uit de Vader en de Zoon, daalt neer uit de hemel in de gedaante van een duif. In het mysterie van het Doopsel van de Heer zien we hoe de hemel, waar God woont, zich opnieuw opent en Zijn scheppende Geest laat neerdalen. Zoals in de Schepping van de aarde, zweeft ook nu de “Geest van God over de wateren”. Het Doopsel van De Heer is een nieuwe schepping, een schepping die veel verder gaat dan de eerste schepping. Een schepping waar God zich volledig laat onderdompelen in het water van deze wereld: Hij is zélf uit de hemel neergedaald en mens geworden.

De symboliek van water komt inderdaad goed tot uitdrukking in haar reinigende en zuiverende kracht: water maakt schoon wat bezoedeld is. En wij weten dat geen mens leeft zonder de smet van de zonde. Daarom precies, om ons te bevrijden van de slavernij van de zonde, heeft God ons Zijn eigen Zoon gezonden. Waar het bij de uittocht nog ging om bevrijding uit de slavernij van Egypte, gaat het bij ons Doopsel om iets fundamenteels; bevrijding uit de slavernij van zonde en dood. Onze geloofsbelijdenis zegt dan: Hij is voor ons mensen, en omwille van ons heil mens geworden. Hij werd voor ons gekruisigd. En Christus deed dat om onze zonden op zich te nemen: “Hij die geen zonde heeft gekend” , mengt zich onder onder de zondaars en laat zich, zoals zij, door Johannes dopen, als voorafbeelding van Zijn dood en opstanding.

Maar met al deze symboliek rond het Doopsel, zouden we kunnen vergeten dat het in ons geloof niet louter  om symbolen gaat. Wij belijden dat Christus geleden heeft onder Pontius Pilatus, en het Evangelie vermeldt ook dat Johannes doopte “in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus landvoogd van Judea was”. Ons geloof is dus gebaseerd op  historische feiten, op waarheden die in de objectieve werkelijkheid bestaan, los van gevoelsmatige belevingen. Anderzijds is het ook waar dat Gods openbaring pas vruchtbaar wordt, als wij haar tot een bewust deel maken van ons leven. Het mysterie van vandaag gaat dus  over ons; wij die geloven dat wij door het éne Doopsel vergeving van zonden verkrijgen en opstanding van de doden:  

Vandaag vieren wij  het Mysterie van het éne Doopsel, maar ook van het éne geloof dat sinds de eerste Apostelen onveranderlijk werd doorgegeven tot nu toe. In de neerdaling van de Heilige Geest wordt zo ook al het Mysterie van Pinksteren aangekondigd, waar de Kerk en wij dus, onze wezenlijke zending ontvangen; In de Geest van Christus licht te zijn voor deze wereld. Vandaag zullen enkele jonge mensen hun eerste stappen zetten in die richting, en dat vraagt van ons wij hen ondersteunen met gebed en hen tot voorbeeld zijn als gedoopte, geliefde kinderen van God. Amen.