OVER DE NAAM
De naam van deze website is ontleend aan een lied van Huub Oosterhuis en Antoine Oomens dat mij diep geraakt heeft toen ik op zoek was naar een fundament onder mijn leven. Het is maar de halve zin want eigenlijk staat er “Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart”. Het gaat over een Gij die geen naam heeft maar wiens betekenis ons, mijn hart, ver overstijgt.
OVER MIJ
Ik ben Pieter Raaijmakers, van “paplepelkatholiek” geworden tot “fundamenteel katholiek”. Natuurlijk weet ik dat dat woord aversie oproept omdat het tegenwoordig direct in verband gebracht wordt met terrorisme, maar ik bedoel het in de zin zoals van Dale het omschrijft “betreffende de grondbeginselen”. Eigenlijk klopt het ook weer niet helemaal want als ik echt een fundamenteel katholiek zou zijn, dan was ik een heilige. Dat zou ik wel willen, maar ik ben er verre van.
Kijkend naar de eerste lezing van Jesaja van zojuist komt het welllicht vreemd over dat die koning, Shebna zomaar ineens uit zijn ambt gegooid wordt. Vreemd ook dat de voorgaande paar zinnen van het verhaal niet zijn opgenomen, want dan was het een stuk beter te volgen. Deze koning Shebna laat zich daar een groot praalgraf uithouwen, boven op een berg. Hij is bezig om een monument op te richten voor zichzelf, een monument waarmee hij ook na zijn dood, vanaf de hoogte, nog indruk kan maken. En dat is in Gods ogen een grof misbruik van de macht die Hij Shebna gegeven had. Hij moet die macht niet gebruiken tot eigen eer en glorie, maar om het Godsvolk te leiden.
Het Evangelie past er vandaag goed bij want ook daar gaat het om goddelijke macht die overgedragen wordt van de een op de ander; nu van Jezus op Petrus. Het begint met de vraag van Jezus; “Wie zeggen de mensen dat ik ben?” Jezus vraagt dat niet omdat Hij bevestiging nodig zou hebben, niet met de bedoeling om bejubeld te worden. Jezus vraagt dit met het oog op Zijn naderende einde. Volgende week al, zullen we voor het eerst horen dat Hij dat einde aankondigt. Maar voordat Jezus die weg naar Jerusalem inslaat, wil Hij weten of de missie die Hij heeft van Godswege, of die missie begrepen wordt, door de mensen die Hem het beste kennen; “Wie zegt gij dat ik ben?” De vraag wordt aan de leerlingen gesteld, maar natuurlijk ook aan ieder van ons. Wie is Jezus voor ons? Voor mij?
In het Evangelie zien we een soort tegenstelling tussen wat de mensen zeggen, en wat Petrus zegt. De mensen van de wereld komen niet verder dan wat ze al kennen. Zij kijken met wereldse ogen naar Jezus en zien iets van vlees en bloed; Hij lijkt op een profeet, iemand als Johannes de Doper misschien. Ze zien wel een bijzondere mens in Hem, maar toch ook gewoon -een mens- als alle anderen. Grote groepen mensen, ook katholieken vandaag komen niet verder dan dat. -Jezus “unne goeie mens”, een goed voorbeeld-.
Maar dan het antwoord van Petrus; “Gij zijt de Christus, de gezalfde, de Messias, de Zoon van de levende God’. Petrus ziet niet met de ogen van de wereld, -of zoals Jezus het zegt-, “niet vlees en bloed hebben het u geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is”. Niet met natuurlijke vermogens, niet door een sterke wil of diepgaande studie is het dat Petrus Jezus in Zijn wezen kent, maar vanuit een gelovige openheid. Want alleen daarin kan de Vader iets laten zien. Petrus ziet het dus; “Hier is meer dan een profeet! Dit is God zelf, die in de wereld is gekomen”. En nu Petrus Jezus zo onomwonden heeft erkend als “God onder de mensen”, nu kan Jezus, zeg maar, Zijn geestelijk testament, met een gerust hart bij Petrus neerleggen. Alleen immers iemand die Jezus daadwerkelijk kent zal op een goede manier met Zijn erfenis om kunnen gaan; “Zalig zijt gij Simon bar Jona, want vlees en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is. En Ik zeg u:gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen".
Jezus erkent op Zijn beurt dat deze zwakke Petrus een man van God is, omdat hij door de Vader is aangesproken. Fijntjes herinnert Jezus hem aan zijn zwakke kanten, door hem Simon bar Jona te noemen. Simon, zoon van Jona. Een beetje bijbel kenner kent het verhaal van die ongehoorzame, ongelovige Jona die drie dagen in de buik van een walvis opgesloten werd. Hoe dan ook de belijdenis van Petrus dat Jezus de Messias is, die is voor Jezus het teken dat de toekomst van de Kerk bij niemand anders veilig zal zijn. Hij zegt hem dan ook: "gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen. en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen".
En zie hier onze Kerk van vandaag. Het romeinse rijk is ingestort, koninkrijken, machthebbers zijn gekomen en gegaan, Napoleon, het derde Rijk van Hitler, allemaal weg, maar onze Kerk staat nog altijd fier overeind. Inderdaad; de poorten van de hel hebben haar nooit weten te overweldigen. Er gaat altijd nog een ongelofelijke kracht uit van onze steenrots die vandaag paus Leo heet. Daar is gewoon meer aan de hand dan een goede organisatie of een krachtig leger. Daar is het God zelf die zijn belofte nakomt; “de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen”.
Wij hoeven niet naast onze schoenen te gaan lopen, maar we mogen wel blij en dankbaar zijn om het feit dat wij, net als Petrus, door God zelf geroepen zijn om hier samen vorm te geven aan Zijn Kerk. Of dat nou is als priester, als koster, als misdienaar of gewoon als biddende mens in de Kerk; we mogen dan allemaal een eigen plaats en taak hebben maar in waardigheid zijn wij voor God allemaal gelijk.
Nog even naar die dubbelnaam van Petrus; Simon Petrus. Daaruit spreekt dus dat dubbele van enerzijds die zwakke mens zijn en anderzijds die onbreekbare rots. Het zal niet lang duren immers voordat die rots zijn eigen hachje probeert te redden als Hij tot drie keer zegt: “Ik ken die man niet”. Het is diezelfde dubbelheid die doorheen de hele kerkgeschiedenis gaat; intriges, machtswellust, sexueel misbruik enzovoorts. Ja, de zwakke menselijke kant van Petrus zit overal, ook in de Kerk, ook in ieder van ons. En toch, God doet het met die Petrus, met die Kerk, met ons. Ondanks alle menselijke gebreken ook, is Petrus, is de Kerk door God zelf geheiligd, zijn wij door God zelf gedoopt; aangenomen als zijn eigen kinderen. Amen.
In de jaren van de grote kerkverlating werd het Evangelie van vandaag door moderne exegeten, bijbelwetenschappers, wel als volgt uitgelegd; De mensen die Jezus gevolgd waren naar die eenzame plek hadden goede voorzorgsmaatregelen genomen. Ze hadden allemaal een bescheiden pakketje eetbare dingen meegenomen, maar die hadden ze goed verborgen gehouden; bang als ze waren dat anderen er aanspraak op zouden maken en dat ze dus zouden moeten delen. Jezus kent de situatie. Hij vermoedt dat iedereen wel wat bij zich heeft en maakt van de gelegenheid gebruik om de mensen een ander gedrag aan te leren. Hij gebiedt zijn leerlingen om een voorbeeld te geven van solidariteit en naastenliefde en hun meegebrachte voorraadje niet langer te verstoppen, maar genereus uit te delen. De mensen begrijpen de les van Jezus en naar het voorbeeld van de leerlingen halen ze allemaal hun eigen pakketje te voorschijn. Dan blijkt er ineens meer dan genoeg te zijn voor iedereen.
Ta,daaaa!!! Het Evangelie uitgelegd op een manier die begrijpelijk is voor iedereen. Voor een deel klopt het ook nog en zal Jezus het er mee eens kunnen zijn. Want natuurlijk is het zo dat er genoeg zou zijn voor iedereen op deze wereld als we de zaken beter verdelen. Natuurlijk zou het goed zijn als we niet allemaal op ons eigen pakje brood, -lees vandaag- onze goed gevulde bankrekening-, zouden blijven zitten. Natuurlijk vindt ook Jezus dat het goed is om het voedsel en de rijkdom, die moeder aarde biedt, eerlijk te verdelen.
De zojuist gegeven uitleg biedt inderdaad stof voor een goed gewetensonderzoek. Het is begrijpelijk voor iedereen, maar het staat ver van de ware betekenis van hetgeen hier gezegd wil worden. Overigens; in de geest van de zojuist gegeven uitleg is er in de zestiger jaren wel op meer manieren geprobeerd om de Evangeliën begrijpelijker te maken. Nobele pogingen met één heel belangrijk misverstand; de ware aard van de Evangeliën, de ware betekenis van het leven van Jezus, gaat veel dieper dan morele lessen die elke gezonde humanist ook kan bedenken.
In de Bijbel maken wij kennis met een God die Is. Maar ook een God die niet begrijpelijk of te grijpen is. Door de wonderen uit het Evangelie begrijpelijk te maken, ontdoet men de verhalen van het meest wezenlijke; de Aanwezigheid van de ongrijpbare God in die gebeurtenissen. Nee, zonder te begrijpen hoe dat kan; zoveel brood voor zoveel mensen; mogen we vermoeden dat voor God niets onmogelijk is. Dàt is waarvan Jezus getuigt, dat is waarvan dit Evangelie wil getuigen. Dàt is het waar Jezus van leeft; dàt brood waarvan je nooit meer honger krijgt. Het is het brood, het is het leven dat je niet begrijpt, maar dat je wel krijgt.... van God.
In het Evangelie van vandaag zien we ook een duidelijke verwijzing naar zo’n ander moment in de Bijbelse geschiedenis; het neerdalen van het manna in de woestijn. “...allen aten tot ze verzadigd waren...” lezen we vandaag. Precies dezelfde woorden klinken daar bij de uittocht in de woestijn. Ook daar ervaart het volk iets onbegrijpelijks; voedsel, zomaar uit de hemel, door God gegeven. Het is natuurlijk niet voor niets dat het in de Bijbel vaak gaat over voeding. Letterlijk; brood, water en wijn. Het zijn immers onze eerste levensbehoeften. Eten en drinken staan helemaal bovenaan in onze behoeften-ladder, ja, ze gaan nog boven gezondheid. En juist op het vlak van eten en drinken laat God zijn grote macht zien.
De aanwezigheid van God in het leven van alledag. De aanwezigheid van God in onze eerste levensbehoeften. Dat is wat wij hier uit het Evangelie lezen, dat is wat wij hier dagelijks vieren. Het is ons allemaal aangereikt door Jezus die vanuit God geleefd heeft, die in God voor ons geleden heeft en in Hem is gestorven en verrezen. Dat is ook waarvan Paulus zo sterk getuigt in de eerste lezing; Als Jezus die liefde van God voor ons tot in het uiterste heeft geopenbaard, wie of wat zal ons dan nog van Hem kunnen scheiden? Ook al zijn we maar kleine mensen, gauw van ons stuk te brengen; in Hem kan niets ons deren, zoals Paulus zegt; Geen verdrukking of nood, vervolging, honger, naaktheid. Noch dood, noch leven, noch engelen, noch machten, noch wat is, noch wat zijn zal, geen hoogte, geen diepte, noch enig ander schepsel ou ons kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer. Amen.
Vandaag horen we opnieuw over de zaaier, met wie we vorige week kennis hebben gemaakt. Vorige week ging het over zaad dat op verschillende plekken terecht kwam en alleen op goede grond vrucht voortbracht. Vandaag horen we dat het ook op goede grond nog mis kan gaan. Want op goede grond, zo weten wij, gedijt ook onkruid uitstekend. Tegenwoordig gaan we daar dan met de gifspuit overheen, maar vroeger moest onkruid met de hand worden verwijderd. En dat stellen de knechten van de landeigenaar dan ook voor; om het onkruid zo vlug mogelijk uit te trekken. U hebt het gehoord; de eigenaar is bang dat ze dan de tarwe mee uittrekken.
Jezus vertelt de parabel aan de grote menigte die naar Hem is komen luisteren, maar als Hij later met de leerlingen alleen is, vragen ze Hem naar de betekenis. “Hij die het goede zaad zaait is de Mensenzoon, de akker is de wereld, de tarwe zijn de kinderen van het Rijk Gods: het onkruid de kinderen van het kwaad. De vijand die het onkruid zaaide, is de duivel. De oogst is het einde van de wereld en de maaiers zijn de engelen”. Eén groep noemt hij niet bij deze uitleg; de knechten die het onkruid uit willen trekken.
Die ongeduldige knechten zijn de mensen van alle tijden met de neiging om het kwaad in hun omgeving zo vlug mogelijk uit te roeien; “onkruid hoort niet thuis in de akker”. Maar God heeft meer geduld met ons. En daar kennen we de nodige voorbeelden van; Jezus zag in de onrechtvaardige tollenaar Matheüs, de toekomstige evangelist, die inderdaad het Evangelie dat we vandaag hoorden heeft opgetekend. Hij zag in Simon Petrus, degene die Hem drie keer heeft verraden, de rots waarop Hij zijn kerk zou bouwen. Hij zag in de zondaar Saulus, die de kerk vervolgde en christenen liet stenigen, de toekomstige apostel die het evangelie zou brengen in het hele middellandse zeegebied. Wie vandaag een zondaar is, kan morgen een heilige worden en daarom heeft God veel geduld met ons. Meer geduld dan dat wij mensen doorgaan hebben met elkaar.
Er is nog een andere reden om het onkruid niet uit te trekken; want zijn wij, mensen, wel in staat om goed onderscheid te maken tussen goed en kwaad? Is het oordeel daarover wel ons werk? Nee, wij vergissen ons zo vaak en zo gemakkelijk bij het beoordelen van onze medemens, dat het beter is om dat oordeel aan God over te laten.
En er is nog een derde reden om de hand af te houden van het menselijke onkruid. Wij zijn nogal geneigd om bij onkruid vooral te denken aan andere mensen. Wij zelf behoren natuurlijk bij de goede tarwe! Maar in werkelijkheid is het allemaal niet zo zwart-wit. De meeste mensen zijn complexe wezens en de meesten van ons vormen een mengsel van goed en kwaad. In onze harten groeit zowel tarwe als onkruid. Wij ervaren allemaal hoe vaak onze zwakheden het winnen van onze goede bedoelingen.
En moeten wij onszelf dan niet gelukkig prijzen dat Jezus ons een God presenteert, Die daar weet van heeft? Onze God, die zijn geduld als een beschermend schild boven ons hoofd houdt. Die ons laat leven met onze onhebbelijkheden en Die ons laat groeien in geloof en liefde zodat wij tussen alle wederwaardigheden van het leven door, mogen rijpen tot de tijd van de oogst daar is. Dan zal God zijn engelen sturen om het kaf van het koren te scheiden. Mogen we zo leven dat ook wij eens, zoals het Evangelie zegt; zullen schitteren als de Zon in het Koninkrijk van de Vader. Amen.
Doorgaans zijn wij meer bezig met de vraag wie Jezus eigenlijk is, dan met Zijn onderricht, Zijn levenslessen. Kijk maar naar de geloofsbelijdenis die we straks zullen zeggen; geen woord over wat Jezus ons geleerd heeft, maar alleen over wie Hij was en wat er met Hem gebeurd is. En het is ook van het grootste belang om te weten wie iemand is en waar hij voor staat. Als iemand, die een grote puinhoop van zijn leven gemaakt heeft, jou gaat vertellen wat je moet doen, dan zul je dat niet gauw serieus nemen. Daarom eerst onze geloofsbelijdenis; weten wie Jezus was; één Heer Jezus Christus, eniggeboren Zoon van God. –voor ons, mensen, en omwille van ons heil uit de hemel neergedaald – voor ons gekruisigd, geleden onder Pontius Pilatus en begraven – verrezen op de derde dag – zittend aan de rechterhand van de Vader – aan Zijn rijk komt geen einde.. Nou, toch bepaald niet de eerste de beste, zou ik willen zeggen. Hij is ook Degene waar ik in mijn existentiële crisisperiode naar op zoek was; Iemand die iets voor de wereld betekent heeft, zonder daar zelf beter van te worden. Alles gegeven, Zichzelf gegeven; hoger goed kan toch niet! De levenslessen van zo Iemand, die zijn in elk geval de moeite waard.
Nu zijn er nogal wat mensen die de lering van Jezus samenvatten in één zin; “Lief zijn voor elkaar”. Daar hebben ze in elk geval wel één punt, want dat is zeker belangrijk. Maar het is allemaal veel te simpel en te oppervlakkig natuurlijk. Bijvoorbeeld alleen al de vraag wat dat dan precies is; “Lief zijn voor elkaar”? Alles goedvinden? De hele dag ijsjes laten eten?
Nee, de levenslessen van Jezus gaan wel een stapje verder en dat zien we meteen in de eerste twee zinnen uit het Evangelie van vandaag. “Wie vader of moeder meer bemint dan Mij is Mij niet waardig; wie zoon of dochter meer bemint dan Mij, is Mij niet waardig”. Onze reactie op deze ogenschijnlijk keiharde woorden gaat twee kanten op; Of je luistert gewoon niet of je schrikt ervan en je eerste reactie is afwijzing. Hoe kan Jezus zoiets nou toch zeggen? Let wel goed op; Jezus zegt niet dat je niet van je ouders moet houden of van je kinderen, maar dat je nog meer van Hem moet houden.
En dat lijkt voor ons toch een onmogelijkheid. Onze ouders, onze kinderen, onze broers en zussen zijn ons toch heilig. “Ja”, zegt Jezus, “laat dat ook zeker zo zijn, maar zij zijn niet het belangrijkste”. Hoeveel ouders hebben sinds de 60-er jaren God en de Kerk niet links laten liggen, omdat de kinderen zondagsochtend op de koffie zouden kunnen komen?
Waar het om gaat is dat alles wat wij in deze wereld tegenkomen –en het belangrijkste daarvan zijn onze ouders en kinderen of partner- maar dat alles wat voor ons belangrijk is, behoort tot de Schepping, het geschape. En dat dat allemaal belangrijk is daarvan getuigt God zelf ook bij de schepping; “God zag dat het goed was” en bij de schepping van mens “God zag dat het heel goed was”. Maar hoe goed het geschapene ook allemaal is het kan natuurlijk nooit groter en beter zijn dan de Schepper zelf.
En dat is waar het Jezus hier om te doen is; dat wij onze Schepper hoger achten dan alles, maar dan ook alles wat geschapen is. Zoals het boek Deuteronomium ook al zegt; “Hoor Israel, de Heer is onze God en de Heer alleen. Gij moet de Heer uw God beminnen met heel uw hart met heel uw ziel en al uw krachten”.
Jezus zoekt het hoogste goed. “Wie zoon of dochter meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waardig”. De intense band tussen ouder en kind, de mensen waar je het meest van houdt, ontzettend belangrijk, maar niet het allerhoogste goed. Wij mogen onze liefde voor al het geschapene, ook voor onze geliefden, niet boven de liefde voor de Schepper zelf laten gaan. De grootse problemen in een mensenleven ontstaan dan ook daar waar één schepsel hoger geacht wordt dan de Schepper zelf. Mèt die geobsedeerde aandacht voor het ene grote doel, veronachtzaamd men de grote ruimte die God ons geeft om te leven. De hele schepping is goed, niet dat ene waar jij je leven aan ophangt, niet dat ene wat jij als het ware tot afgod gemaakt hebt, niet iets of iemand die voor jou belangrijker is dan de Schepper zelf.
Maar die grote ruimte die God ons geeft ontdek je alleen als je Hem inderdaad op de eerste plaats zet. Liefde voor God, liefde voor de Schepper zelf, bevrijdt je van te grote gehechtheid aan het geschapene. Dat is wat Jezus ons wil leren met dit Evangelie; “Wat je ook denkt te verliezen, er is er Eén die je nooit verliest”. “Hoor Israël, de Heer is onze God en de Heer alleen”. Amen.