Groter dan ons hart

Pieter Raaijmakers

Groter dan ons hart
25 Januari 2019

Groter dan ons hart

OVER DE NAAM

De naam van deze website is ontleend aan een lied van Huub Oosterhuis en Antoine Oomens dat mij diep geraakt heeft toen ik op zoek was naar een fundament onder mijn leven. Het is maar de halve zin want eigenlijk staat er “Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart”. Het gaat over een Gij die geen naam heeft maar wiens betekenis ons, mijn hart, ver overstijgt.

OVER MIJ

Ik ben Pieter Raaijmakers, van “paplepelkatholiek” geworden tot “fundamenteel katholiek”. Natuurlijk weet ik dat dat woord aversie oproept omdat het tegenwoordig direct in verband gebracht wordt met terrorisme, maar ik bedoel het in de zin zoals van Dale het omschrijft “betreffende de grondbeginselen”. Eigenlijk klopt het ook weer niet helemaal want als ik echt een fundamenteel katholiek zou zijn, dan was ik een heilige. Dat zou ik wel willen, maar ik ben er verre van.

11 Februari 2026

Zout der aarde? 5e zondag dhjr. A 2025

Meteen na de zaligsprekingen die we vorige week in het Evangelie hoorden, zegt Jezus tot degenen die Hem gevolgd zijn, en over hun hoofden heen dus tot ons; “Gij zijt het zout der aarde”. Omdat deze uitspraak onmiddellijk volgt op de zaligsprekingen moeten we die twee zaken niet van elkaar losmaken. Wat Jezus duidelijk wil maken met de beelden van zout, licht en de stad op de berg is dat zijn volgelingen een voorbeeldfunctie hebben. Maar deze voorbeeldfunctie wordt alleen effectief in de mate dat de zaligsprekingen daadwerkelijk beleefd worden. Wij zijn het zout der aarde, het licht der wereld in de mate waarin wij behoren tot degenen die arm van geest zijn, als wij in onze wereld redenen zien om te treuren, als wij barmhartig zijn, zuiver van hart, als wij hongeren en dorsten naar gerechtigheid, en als wij eventuele vervolging om onze relatie met Christus niet schuwen.

De beelden die Jezus gebruikt om te laten zien hoe zijn leerlingen in het leven moeten staan zijn eenvoudig en duidelijk; ze moeten zijn als zout, licht en een stad op de berg. En die beelden hebben een krachtige, gemeenschappelijke verwijzing; zij verwijzen alle drie naar iets anders dan naar zichzelf. Het zout is er niet voor zichzelf, maar om smaak te geven aan andere spijzen. Het licht is er niet voor zichzelf, maar om de omgeving in het licht te zetten. Een stad op een berg had in Jezus’ tijd een beetje een soort functie als GPS. Mensen die op reis waren konden zich eraan oriënteren. Zout, licht en de stad op de berg staan dus ten dienste van iets anders dan zichzelf en dat zou ook de houding moeten zijn van mensen die leven volgens de zaligsprekingen; echte christenen zijn niet voortdurend uit op eigenbelang maar staan in dienst van God en mensen. Zij waaien ook niet voortdurend mee met elke nieuwe hype maar zoeken de geboden van God consequent te onderhouden. Zij gehoorzamen Hem ook wanneer Hij zegt, bij monde van de profeet Jesaja bijvoorbeeld; “Deel uw brood met de hongerigen, neem de dakloze zwerver in huis, kleed de naakten die ge ziet en keer u niet af van uw medemens. Dan zal uw licht stralen als de dageraad”. Jezus kende deze passage uit joodse heilige Schrift natuurlijk heel goed en Hij moet eraan gedacht hebben toen Hij zelf sprak over hen die leven volgens de zaligsprekingen;  “Zo moet uw licht stralen voor het oog van de mensen”. Niet tot onze eigen eer en glorie, moet dat licht stralen, maar, zoals het Evangelie besluit: “opdat de mensen uw Vader verheerlijken die in de hemel is”.

Al met al is het toch wel een confronterend geheel. Want doen wij, doe ik, als christen wel zo heel veel anders dan andere mensen? Oh jawel, wij bidden regelmatig, wij zullen sommige elementen van de zaligsprekingen ook zeker wel beleven, maar toch, als het gaat om ons brood echt te delen? Ach, we geven soms wel een paar centen van wat we over hebben, maar echt delen? Naakten om te kleden zijn er niet, maar onze kapitalistische wereldorde maakt toch wel dat er onverdraagbare verschillen zijn in rijkdom en armoede. Kan ik daar wat aan doen? Niet zo gemakkelijk, maar doe ik alles wat ik wel kan? Zijn we in het licht van de zaligsprekingen, voldoende radicaal christelijk, om door de wereld gezien en geproefd te worden als licht en zout? Of hobbelen we gewoon een beetje mee met de gemiddelde orde van de wereld: lauwe christenen die zich een beetje in slaap sussen met de gedachte; “ach, we doen het zo slecht nog niet”. Nee, inderdaad, zo slecht doen we het niet, maar kan het, als we eerlijk zijn, toch ook niet nog veel beter?

Wat helpen kan, is, dat we onze eindbestemming voldoende voor de geest houden; en die eindbestemming is eeuwig leven, eeuwig geluk bij God. Dit leven, deze privileges, deze welvaart, deze gezondheid, deze status, alles waar wij ons aan vastklampen, dit tijdelijke verblijf op aarde, is niet alles waar het leven om draait. Nee, onze eindbestemming is iets, of Iemand anders, zoals we bij elk levenseinde zingen; “Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf. Wij leven en sterven voor God onze Heer, aan Hem behoren wij toe”. Amen.

 

 

 

26 Januari 2026

Kerk wereldwijd

Slechte Bijbelkenners, zoals wij katholieken gemiddeld toch altijd nog zijn, zullen het vreemde vertelsel over het land van Naftali en Zebulon, maar gauw overslaan en verder lezen over het grote licht dat is opgegaan. Want dan weten we weer waar het over gaat; het grote licht van Christus en de komst van het Rijk der Hemelen. Nou wil ik mijzelf zeker niet poneren als een bovengemiddelde katholiek en bijbelkenner, maar als je zo een preek mag voorbereiden, dan wordt je wel een beetje verplicht om je erin te verdiepen. En zo leerde ik dat Zebulon en Naftali in de oudheid twee stukken land waren die, net als de andere gebieden daar, vernoemd waren naar de 12 zonen van de aartsvader Jacob. De 12 stammen die het volk Israël vormden. Maar Zebulon en Naftali lagen in een grensgebied in het noorden. En door buitenlandse invloeden en deportaties waren zij weggedreven van de kern van het joodse volk en de Tempel in Jerusalem. Daarover hoorden wij Jesaja spreken in de eerste lezing; “In het verleden is er oneer gebracht over het land Zebulon en over het land Náftali”, maar in de toekomst wordt er eer gebracht aan de zeeroute, de overkant van de Jordaan en het Galilea van de heidenen”.

In het Evangelie horen we dat terugkomen. Want precies daar begint Jezus zijn prediking; “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij”. Als wij Jezus zo horen spreken denken we vooral in spirituele categoriën, maar voor de Jood en was de komst van het koninkrijk heel concreet. Hun hoogste verwachting van de komst van de Messias lag daarin, dat de 12 stammen van Jacob weer verenigd zouden worden tot één groot volk. En daarom worden die twee afdwalers, Zebulon en Naftali, hier specifiek genoemd. Dat is immers wat Jezus zich ten doel stelt; alle volken te verenigen en thuis te brengen bij de ene God. Daarom begint Hij zijn openbare optreden hier in het grensgebied, het Galilea van de heidenen.

Als we het leven van Jezus goed bekijken zien wij dat Hij geboren is in een stal, een plek waar de dieren thuishoren. Hij wordt gelegd in een kribbe, daar waar men het voedsel van de dieren deponeert. Lager kan niet voor mensen. De volkse verbeelding heeft de stal waarin Jezus geboren werd zelfs voorgesteld als een grot. Ook die suggereert laagte en diepte. Het is alsof de Zoon van God bij zijn komst in de wereld zo laag mogelijk wilde neerdalen, tot bij de dieren in de donkere diepte van de aarde. En dat terwijl wij door heel de geschiedenis heen, God juist spontaan associëren met hoogte. Met de bergen, hoger nog, met de hemel. Als God tot ons komt in de kerstnacht geeft Hij blijk van een ondubbelzinnige voorkeur voor de laagte, symbool voor wat klein, onaanzienlijk is, geminacht en misprezen wordt. Dat patroon zet zich voort als we zien welke mensen het eerst bij het goddelijk kind op bezoek komen; onaanzienlijke, arme woestijnherders en niet-joodse wijzen uit het oosten, heidenen, voor wie de weldenkende joden een diepe minachting hebben. Jezus laat zich dopen in de Jordaan; die ligt ongeveer 350 meter onder de zeespiegel. Het is de laagst gelegen regio van de hele aardbol. En de merkwaardige keuze van de Zoon van God manifesteert zich opnieuw als Hij besluit zich te laten omringen door een twaalftal beperkte volgelingen. Daarvoor wendt Hij zich niet tot de hogere kringen van religieuze gezagsdragers zoals de priesters, hogepriesters, Farizeën of Essenen, ook niet tot de machtige Romeinen.

Nee, Hij gaat het zoeken bij arme landarbeiders, eenvoudige vissers, niet in het machtcentrum Jerusalem, maar in het verloren land van Zebulon en Naftali, het Galilea van de heidenen.

“Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen”;
dat is de houding waarmee Jezus Zijn grote dienstwerk begint
en alle mensen, alle volkeren van de wereld wil verenigen
en terugbrengen bij Zijn Vader, onze Vader, de ene God.

Dat is ook de houding waartoe Hij ons oproept als Hij zegt; “Kom en volg Mij”.
Die dienst aan God en mens heeft Hem als het ware uiteengetrokken aan het kruis.
Eén hand uitgestrekt naar de Vader, de andere naar ons.
Biddend, zoals de Evangelist Johannes het zegt;
“Mogen allen één zijn, Vader, zoals Gij in mij bent en ik in U ben”.

Maar het blijft mensenwerk. We lezen in de brief van Paulus dat er al grote verdeeldheid heerst, ook in de jonge Kerk;

“Dit bedoel ik, dat ieder van u zegt: “Ik ben van Paulus”,
“Ik van Apollos”, “Ik van Kefas”, “Ik van Christus”.
Is Christus dan in stukken verdeeld?”

Is Christus dan in stukken verdeeld? Dat kan hij ook gerust tegen ons zeggen want ook wij hebben zo onze voorkeuren voor deze of gene priester, voor deze of gene bisschop, voor dit of dat gezang. Maar er is er maar Een hier in ons midden die dezelfde blijft, gisteren, vandaag en morgen.

Hij stelt zich steeds opnieuw present in de heilige Eucharistie, waarin we eten van dat ene Lichaam dat ons tweeduizend jaar bij elkaar gehouden heeft.

Kerk wereldwijd; Kerk, waarin alle mensen, rassen en standen, gelijkwaardig (niet gelijk maar gelijkwaardig) en welkom zijn. Amen.

 

 

 

16 Januari 2026

Bevrijd uit de slavernij. Doop van de Heer A jaar 2026

Bij de voorbereiding van jonge ouders op het Doopsel van hun kindje  stel ik altijd een beetje een gemene vraag. Nou, echt gemeen is het natuurlijk niet, het is meer om een soort schokeffect teweeg te brengen waarmee zij zich realiseren dat het Doopsel niet zomaar een vanzelfsprekend symbool is, maar dat het geworteld is in het leven. Ik laat ze nooit lang zwemmen want ik weet van te voren dat ze het antwoord dat ik zoek, nooit zullen geven. De vraag is; hoe zijn de mensen er ooit toe gekomen om te dopen met water? Waarom dat hele doopritueel? Waarom niet gewoon een kruisje of een ander teken? In de beste gevallen geven de ouders een antwoord in de zin van “Water reinigt, wast schoon”. Of; Johannes de Doper riep daarmee op tot bekering. Maar dan nog: hoe is hij ertoe gekomen om te dopen? Die vraag brengt ons terug bij de meest fundamentele ervaring van het Joodse volk; de Uittocht uit Egypte, meer precies; de doortocht door de Rode Zee. Dáár ligt de kiem van wat later ons Doopsel geworden is. Want hier wordt het volk opgeroepen om, onder de bescherming van Gods machtige hand het onmogelijke te doen; door het water heen te trekken, de vrijheid tegemoet, bevrijding uit de slavernij van Egypte. Ook al hebben ze daarna nog heel wat beproeving te doorstaan in de woestijn. Wellicht niet toevallig dat Jezus ook meteen na zijn Doop, zoals het Evangelie zegt; “door de Geest de woestijn wordt ingedreven” om daar “door de duivel op de proef gesteld te worden”. Als Johannes de Doper begint met zijn doopsel is dat dus niet iets wat hij zomaar zelf verzonnen heeft . Hij wil het ontspoorde volk terugbrengen bij haar gelovige wortels; die doortocht door de Rode Zee, die fundamentele ervaring van Gods reddende aanwezigheid. “Herinner je toch hoe God ons volk bevrijd heeft, keer je om van de goddeloosheid, maak een nieuwe Exodus en trek opnieuw door het water”. Dat water is dan nu de Jordaan". 

Maar dan het Doopsel van Jezus. Dat is zoveel meer. En Johannes de Doper weet dat; “Hij komt dopen met de heilige Geest en met vuur”. De Doop van de Heer is zó rijk dat alle aspecten van onze geloofsbelijdenis er als het ware in samenkomen. In het Evangelie van vandaag zien we allereerst de openbaring van de Goddelijke Drie-eenheid; de Vader wijst Zijn veelgeliefde Zoon aan, ware God uit de ware God, één in wezen met de Vader. En de Heilige Geest, die voortkomt uit de Vader en de Zoon, daalt neer uit de hemel in de gedaante van een duif. In het mysterie van het Doopsel van de Heer zien we hoe de hemel, waar God woont, zich opnieuw opent en Zijn scheppende Geest laat neerdalen. Zoals in de Schepping van de aarde, zweeft ook nu de “Geest van God over de wateren”. Het Doopsel van De Heer is een nieuwe schepping, een schepping die veel verder gaat dan de eerste schepping. Een schepping waar God zich volledig laat onderdompelen in het water van deze wereld: Hij is zélf uit de hemel neergedaald en mens geworden.

De symboliek van water komt inderdaad goed tot uitdrukking in haar reinigende en zuiverende kracht: water maakt schoon wat bezoedeld is. En wij weten dat geen mens leeft zonder de smet van de zonde. Daarom precies, om ons te bevrijden van de slavernij van de zonde, heeft God ons Zijn eigen Zoon gezonden. Waar het bij de uittocht nog ging om bevrijding uit de slavernij van Egypte, gaat het bij ons Doopsel om iets fundamenteels; bevrijding uit de slavernij van zonde en dood. Onze geloofsbelijdenis zegt dan: Hij is voor ons mensen, en omwille van ons heil mens geworden. Hij werd voor ons gekruisigd. En Christus deed dat om onze zonden op zich te nemen: “Hij die geen zonde heeft gekend” , mengt zich onder onder de zondaars en laat zich, zoals zij, door Johannes dopen, als voorafbeelding van Zijn dood en opstanding.

Maar met al deze symboliek rond het Doopsel, zouden we kunnen vergeten dat het in ons geloof niet louter  om symbolen gaat. Wij belijden dat Christus geleden heeft onder Pontius Pilatus, en het Evangelie vermeldt ook dat Johannes doopte “in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus landvoogd van Judea was”. Ons geloof is dus gebaseerd op  historische feiten, op waarheden die in de objectieve werkelijkheid bestaan, los van gevoelsmatige belevingen. Anderzijds is het ook waar dat Gods openbaring pas vruchtbaar wordt, als wij haar tot een bewust deel maken van ons leven. Het mysterie van vandaag gaat dus  over ons; wij die geloven dat wij door het éne Doopsel vergeving van zonden verkrijgen en opstanding van de doden:  

Vandaag vieren wij  het Mysterie van het éne Doopsel, maar ook van het éne geloof dat sinds de eerste Apostelen onveranderlijk werd doorgegeven tot nu toe. In de neerdaling van de Heilige Geest wordt zo ook al het Mysterie van Pinksteren aangekondigd, waar de Kerk en wij dus, onze wezenlijke zending ontvangen; In de Geest van Christus licht te zijn voor deze wereld. Vandaag zullen enkele jonge mensen hun eerste stappen zetten in die richting, en dat vraagt van ons wij hen ondersteunen met gebed en hen tot voorbeeld zijn als gedoopte, geliefde kinderen van God. Amen.

 

23 November 2025

Met Hem in het paradijs. Christus Koning 2025

Volgende week vieren we met de eerste zondag van de Advent het nieuwe kerkelijk jaar, vandaag dus het slotakkoord van het voorbije jaar: Christus Koning. Mooi zullen sommigen zeggen, mooi dat Christus Koning is, maar wat heb ik daar eigenlijk aan? Nou, heel veel eigenlijk. Misschien is niet iedereen enthousiast over het beeld van Christus als Koning omdat we dan te zeer te kampen hebben met beelden van de aardse, politieke koningen. Onze eigen koning is redelijk geliefd maar echt een regerende vorst is hij natuurlijk niet. Een koning in de eigenlijke betekenis van het woord, is iemand die leiding geeft, iemand die zaken ordent en gericht is op het goede voor iedereen. Neem bijvoorbeeld de dirigent van een orkest; hij maakt zelf geen geluid, maar hij stuurt de muzikanten aan. Hij ordent de muziek zo dat er een mooie symfonie ontstaat. Richting geven, ordenen zodat elk instrument tot zijn recht komt.

Bij ons doopsel zijn we allemaal gezalfd tot een drieledige opdracht; priester te zijn, profeet te zijn en koning. Koning dienen we dus te zijn, allereerst over ons eigen leven. Wij hebben immers allemaal te stoeien met een wirwar aan gedachten, gevoelens, strevingen en verwachtingen. Onze ziel heeft koninklijke sturing nodig om daar orde en richting in aan te brengen. En alleen in zoverre we koning zijn over al die tegenstrijdige bewegingen in onszelf, kunnen we onze koninklijke opdracht ten aanzien van onze omgeving vervullen.

Voordat we naar Jezus gaan wil ik de blik richten op de koningen van het Oude Testament. Want koningen spelen daarin een heel grote rol. De eerste, die dan wel niet de naam van “Koning”, draagt, maar toch wel een belangrijke koninklijke rol gespeeld heeft, dat is natuurlijk Abraham; vader van vele volken, vader van jodendom, christendom en islam. De meest in het oog springende eigenschap van deze koning is dat hij kon te luisteren en gehoorzamen. Gehoorzamen aan de stem van God, ook toen Hij de meest onmogelijke dingen van hem vroeg; Zijn land en stam achter zich te laten (wat in die tijd zoiets was als zelfmoord) en zijn meest geliefde zoon Isaac te offeren. Benjamin Franklin, één van de stichters van Amerika, heeft eens gezegd dat degene die niet kan gehoorzamen, ook geen leiding kan geven. En het is dus ook een eigenschap van alle koningen uit het oude Testament, dat ze kunnen gehoorzamen aan Gods stem.

Een andere belangrijke koning is koning David. Koning David was vooral een strijder. Hij overwon de reus Goliath en de Fillistijnen en versloeg allerlei andere volken die een bedreiging vormden voor het Godsvolk.

Nog een belangrijke koning uit het oude Verbond is koning Salomon. Hij bouwde het huis van God, de tempel van Jerusalem en verder staat hij vooral bekend om zijn grote wijsheid. Exemplarisch daarvoor is natuurlijk het beroemde Salomonsoordeel.

En dan hebben we de drie belangrijkste eigenschappen van de Bijbelse koningen gehad;

  • het zijn allemaal strijders, ze vechten voor hun volk
  • ze luisteren en gehoorzamen aan de stem van God
  • en ze beschikken over een grote mate van wijsheid.

En kijken we nu dan naar Jezus dan zien we des te beter waarom Hij Koning genoemd wordt. Want:

  • Een strijder was Hij. Overal waar Hij kwam streed Jezus. Niet tegen legers of tegen mensen, maar tegen het kwaad.
  • Luisteren en gehoorzamen? Tot in Zijn laatste ademtocht aan het kruis.  “Vader niet mijn wil geschiede, maar Uw wil”.
  • Wijs? Als geen ander! Bijvoorbeeld; “Wie zonder zonden is werpe de eerste steen”. Of: “Haal eerst de balk uit je eigen oog, dan zie je misschien scherp genoeg om de splinter uit het oog van de ander te halen”. Enzovoorts enzovoorts.

Zo moeten ook wij allemaal koning zijn van ons eigen leven. En het is misschien goed om zo eens over die oudtestamentische beelden van het koningschap na te denken. Zijn wij die dappere strijders die ons niet te gauw overgeven aan de verleidingen? Luisteren wij naar de stem van God, of toch liever naar onszelf? Zijn we wijs genoeg om ons leven te zien vanuit het perspectief van het goddelijke?

In het Evangelie wat we zojuist hoorden zet Jezus de kroon op zijn koningschap. Voor de laatste keer weerspreekt hij de stem van de duivel die Hem aan het begin van Zijn openbare leven ook al beproefd had in de woestijn:  “Spring dan van die toren af, dan komen uw engelen U toch redden?”,  Hier is het bij monde van die misdadiger; “Als gij Koning zijt, red dan uzelf en ons”. Oftewel “Luister niet naar God maar wees je eigen god”. Het is die oerdrift al vanuit het Scheppingsverhaal; “Eet maar gerust van die vrucht want je zult helemaal niet sterven”.

De twee misdadigers die met Jezus gekruisigd werden, zetten ook ons voor de keuze; Praten we met de ongelovige mee: “Kom van het kruis af en red uzelf en ons.” Want vinden we soms ook niet dat Jezus maar eens moet komen; om onze ziekte te genezen, onze dierbaren van de dood te redden of ons uit wat voor nood ook te komen bevrijden? En scheelt het soms niet eens veel of we zijn boos op God, omdat dan niet gebeurt wat wij willen? Ofwel zijn we meer als die andere misdadiger, die vanuit zijn diepste ellende nog kan zeggen; “Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw koninkrijk gekomen zijt”. Als enige in dit hele gebeuren erkent deze misdadiger het feit dat Christus Koning is.

En hij zegt ons iets heel belangrijks; dat aan zijn ellende niet te ontkomen valt, maar dat die ellende niet het laatste woord hoeft te hebben als we erkennen dat Christus Koning is. Ook wij ontkomen immers niet aan de ups en downs van dit aardse leven en eens gaan we allemaal. Maar we kunnen wel op Jezus blijven vertrouwen en Hem vragen om aan ons te denken als Hij in Zijn koninkrijk gekomen is. Met andere woorden; vertrouwen wij ons toe, door alle wederwaardigheden van het leven heen, aan Christus die onze Koning is. Daarmee zullen we niet elk kruis in ons leven kunnen ontlopen, maar tenslotte wel met Hem zijn in het paradijs. Amen.