OVER DE NAAM
De naam van deze website is ontleend aan een lied van Huub Oosterhuis en Antoine Oomens dat mij diep geraakt heeft toen ik op zoek was naar een fundament onder mijn leven. Het is maar de halve zin want eigenlijk staat er “Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart”. Het gaat over een Gij die geen naam heeft maar wiens betekenis ons, mijn hart, ver overstijgt.
OVER MIJ
Ik ben Pieter Raaijmakers, van “paplepelkatholiek” geworden tot “fundamenteel katholiek”. Natuurlijk weet ik dat dat woord aversie oproept omdat het tegenwoordig direct in verband gebracht wordt met terrorisme, maar ik bedoel het in de zin zoals van Dale het omschrijft “betreffende de grondbeginselen”. Eigenlijk klopt het ook weer niet helemaal want als ik echt een fundamenteel katholiek zou zijn, dan was ik een heilige. Dat zou ik wel willen, maar ik ben er verre van.
Degenen die hier elke zondag komen zullen inmiddels wel in de gaten hebben wat voor pareltjes wij elke keer uit het Evangelie te horen krijgen. En wat u mogelijk ook in de gaten hebt is, dat de gebeurtenissen die verhaald worden elke week intenser worden. Twee weken geleden hoorden we het wonderlijke gesprek van Jezus met de Samaritaanse, vorige week een bijna komische vertelling van de genezing van een blindgeborene. En vandaag de apotheose; een dode die ten leven gewekt wordt. Misschien moet ik even toelichten wat ik komisch vond aan het Evangelie van vorige week want in de kern was het natuurlijk bloedserieus. Maar het grappige van het Evangelie was, dat niet zozeer Jezus, maar juist de blindgeborene optreedt als verkondiger van het geloof. Eerst moet hij zijn buren en familie overtuigen; “De mens die Jezus heet, maakte slijk, bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij: ‘Ga naar de Siloam en was u. Ik ben er naar toe gegaan, waste mij en kon zien.’ Vervolgens vragen het de Farizeeën die Jezus een zondaar noemen omdat Hij zich niet aan de regels van de sabbath houdt. En dan zegt de blindgeborene; “Of hij een zondaar is, dat weet ik niet. Een ding weet ik wel, dat ik eerst blind was en nu zie”. Prachtig toch hoe hij de kritiek van de Farizeeën pareert! En als ze het dan nog eens voor de derde keer vragen: “Hoe zijn u de ogen geopend?’ dan antwoord de blindgeborene; “Dat heb ik al gezegd. Waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt gij soms ook een leerling worden van die man?” U kunt zich voorstellen dat de Farizeeën witheet aanlopen.
Het Evangelie van vandaag is in mijn puberjaren zo’n beetje de oorzaak geweest om de kerk te verlaten. “Dat kan niet!” was mijn stellige overtuiging. “Maak dat de kat maar wijs, maar ik heb meer verstand. Ik houd mij voortaan niet meer bezig met die onzin!” Maar, ik denk dat het komt omdat ik nooit innerlijke vrede kon vinden met mezelf en de wereld; in elk geval ben ik altijd blijven zoeken naar iets dat een waarachtig fundament onder mijn leven zou leggen en uiteindelijk toch weer in een gelovige beweging terecht gekomen. Daar werd mij onder andere verteld dat je de verhalen van Jezus niet letterlijk moest nemen, maar dat het allemaal symbolisch bedoeld is. In eerste instantie was dat voor mij een verademing, maar na enkele jaren ontdekte ik dat ik blij was geweest met een dooie mus.
Want als het allemaal maar symbolisch is, als ik bijvoorbeeld de wonderbare broodvermenigvuldiging alleen moet zien in de geest van: “Als we maar samen delen, dan hebben we allemaal wat”, dan is er destijds toch helemaal niks bijzonders gebeurd. Als het allemaal maar symbolisch is, dan hoeven ze daar toch niet al die Bijbels voor uit te geven, of al die kerken te bouwen. En waarom hangt Jezus dan aan het kruis? Wat heeft het voor nut dat Hij zijn leven geeft? Niet symbolisch, maar echt.
Het Evangelie van vandaag is weer een pareltje, ik zei het al. Het is in de kern een schokkend verhaal. Zo schokkend dat de mensen in Jezus tijd er eigenlijk geen van allen raad mee wisten. Ze weten inmiddels allemaal wel dat er iets bijzonders aan de hand is met Jezus, dat Hij over bijzondere gaven beschikt. Hij zou de zieke Lazarus wel kunnen genezen. Maar waarom komt Hij niet meteen in actie, waarom loopt Hij nog twee dagen te dralen onder de mysterieuze woorden; “Deze ziekte lijdt niet tot de dood maar is er omwille van Gods heerlijkheid, opdat de Zoon van God er door verheerlijkt moge worden”.
Het gebeuren rond de zieke, later dode en opgestane Lazarus is een teken dat tot doel heeft dat de mensen Gods grootheid leren kennen. De opwekking van Lazarus is een onvoorstelbaar krachtig teken waarin God laat zien wie Hij is; sterker dan de dood. “Het kan niet!” zei ik vroeger. Met onze minister president, hoewel het er niets mee te maken heeft, zeg ik vandaag. “Het kan wel!”
Natuurlijk kan het wel; als God Schepper van hemel en aarde is. Als God in staat is om uit niets onze prachtige wereld te scheppen, waarom zou Hij dan niet in staat zijn een dode het leven terug te geven? Of weten wij soms beter wat God wel en niet kan? Natuurlijk zouden we dat zelf allemaal dan ook wel eens een keer willen zien. Al is het de vraag hoe we zouden reageren. Want er vindt in dit gebeuren een grote tweedeling plaats. Het Evangelie van vandaag eindigt met de woorden; “Vele Joden die zagen wat Hij gedaan had geloofden in Hem". Maar meteen in de volgende regel van hetzelfde Evangelie wordt door de Sadduceeën en Farizeeën besloten dat Jezus dood moet. En daar zien we geen verzet van al die Joden die getuigen waren van de opwekking van Lazarus.
Een ander aandachtspuntje uit het Evangelie. Als Martha Jezus ziet komt ze met een nauwelijks verholen verwijt; “Heer als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn”. Hoe herkenbaar voor ons, toch? Leven wij, bij een zekere tegenspoed niet ook vaak met een soort verwijt? “Waarom hebt U niks gedaan?” Even later herhaalt Maria hetzelfde verwijt aan het adres van Jezus en voor een derde keer doen de critici het nog eens, met nog meer venijn; “Kon Hij die een blinde de ogen opende, niet zorgen dat deze niet stierf?"
Maar zullen sommigen zeggen, "Martha getuigt toch zeker wel van haar geloof". Want zij zegt toch; "Zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.” Jezus zei tot haar: “Uw broer zal verrijzen.” Marta antwoordde: “Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.” Dát, dat de doden verrijzen op de laatste dag, dat is immers een onderdeel van het joodse geloof. Dat gelooft ze wel, maar dat Jezus in staat is om Lazarus nu uit het graf te doen opstaan, dat gelooft ze niet en dat gelooft eigenlijk niemand, totdat ze het met eigen ogen zien. “Ik ben de verrijzenis en het leven, zegt Jezus van zichzelf”.
En het wenen wat Jezus doet is niet allereerst omdat Hij zo’n verdriet heeft over Lazarus, maar vooral omdat die hardnekkige mensheid maar niet wil geloven wie Hij is. En wat kan Hij nog meer doen? Zelf sterven en verrijzen is de laatste optie en dat zal dan ook moeten gebeuren. Dat zal het ultieme teken zijn aan de mensheid; Gods liefde die zover reikt dat Hij Zelf voor ons wil sterven, opdat wij Hem eindelijk zullen kennen. Amen.
“Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”; aan dat boek van de joodse rabbijn/filosoof Harold Kushner moest ik denken bij het lezen van het Evangelie van vandaag. “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”. Het hele Evangelie van Johannes kent een bijzonder soort taal met vaak meerdere lagen van betekenis. Zo ook het verhaal van de Samaritaanse vrouw bij de bron. Er gebeurt hier nogal het een en ander. Voor de tijd waarin Jezus leefde was Zijn optreden hier revolutionair. Op de eerste plaats worden Samaritanen door de Joden gezien als ketters, die ze met de nek aan kijken. Jezus niet; hij gaat spontaan in gesprek, niet eens met een Samaritaan, maar ook nog eens met een Samaritaanse; met een vrouw dus. Dat het verhaal zich afspeelt bij een bron heeft ook nog weer een extra betekenis; Alleen bijvoorbeeld al omdat water zo van levensbelang is in het gortdroge Midden-Oosten. Maar de ontmoeting tussen een man en een vrouw bij een bron, verwijst voor de Bijbelvaste Jood onmiddellijk naar het huwelijksverbond. Alle grote huwelijken die in de Bijbel beschreven worden zijn immers ontstaan bij een waterput: Jacob vindt er zijn Rachel, Mozes Sipporra en voor Isaac wordt Rebecca gevonden bij een waterbron. Is Jezus hier dan een beetje aan het flirten met die Samaritaanse? In zekere zin wel.
De relatie tussen God en de mens wordt in de Bijbel vaker uitgedrukt als een huwelijksverbond; God is daarin de bruidegom, de mens Zijn bruid. En in deze zin is Jezus, als bruidegom, deze vrouw aan het verleiden tot een huwelijk; niet voor zichzelf, privé, maar om haar terug te brengen bij God. Dat is per slot van rekening de hele missie van Jezus komst in deze wereld; de mensheid bevrijden uit de banden van de dood en haar te brengen tot het eeuwige bruiloftsmaal bij God. En hier zien we dat de Samaritaanse vrouw behoorlijk verdwaald is; vijf mannen heeft ze gehad en ze is nu met de zesde bezig. Dat brengt me even terug bij de titel van dat boek: “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”.
En dan horen wij dat gesprek van Jezus met de vrouw over dat water. Het gaat kennelijk over twee verschillende soorten water; het aardse, het materiële, het lichamelijke, dat water waar je nooit genoeg van krijgt en een ander soort water. Misschien mag je zeggen; het geestelijke water. Een totaal ander soort water. Water dat aanzet tot enthousiasme, geestkracht, geloof. Een soort water waarbij je, als je ervan gedronken hebt, overloopt. Zoals de vrouw onmiddellijk overloopt van enthousiasme en iedereen die het horen wil, gaat vertellen, niet over die waterbron, maar over de bron die Jezus is. En zo borrelt dat water nog steeds op uit die bron; 2000 jaar ononderbroken uit het hart van onze Kerk, de Eucharistie.
Misschien mag ik proberen om het nog wat inzichtelijker te maken. Wij mensen zijn wezens die leven tussen hemel en aarde. Terwijl we ten diepste verlangen naar het hemelse, eeuwige geluk, ligt het aardse voor ons veel meer voor de hand. Het hemelse, het eeuwige geluk is niet direct tastbaar; het bestaat voor de aardse mens enkel als een belofte. Na alles wat we in de Bijbel lezen, en over Jezus weten een heel aannemelijke belofte, maar....., toch nog steeds alleen een belofte. En daar moet je dus in geloven. Als aan Jezus gevraagd wordt wat wij moeten doen, dan is Zijn antwoord; “Te geloven in Degene, die God gezonden heeft.”
Wij spreken van moeder aarde, moeder, mater, materie, materialisme. Materie is alles wat op aarde te vinden is; datgene wat we zien en proeven en aan kunnen raken. En het grote gevaar voor een mens die de Schepper niet herkent, die God niet kent, het grote gevaar voor die mensen is, dat ze denken dat ze hun geluk alleen kunnen vinden in het aardse, in die materie. Dus als ze zich niet echt gelukkig voelen, duiken ze nog dieper in de materie, raken toch weer gefrustreerd en kunnen dan alleen bedenken, dat ze nog meer of misschien heel andere materie nodig hebben om gelukkig te worden. Zij drinken gulzig van het water waar ze steeds opnieuw dorst van krijgen. "Ze hebben vijf mannen gehad". “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”.
Maar wat is dan toch dat levende water waar Jezus het over heeft? Dàt levende water heeft vele namen: de verzoening met God, het kindschap van God, het eeuwige leven, de heilige Geest die in je leeft, de heilig makende genade, de verlossing. Door het leven schenkende water van het doopsel hebben wij dit alles al ontvangen en zijn we kinderen van God geworden. Geliefd door de Vader die over ons waakt. “Wees maar niet bang”, in Hem zijn wij veilig wat er ook gebeurt. Is er iets aards, iets materieels te bedenken dat belangrijker is dan dat?
Laten we dan, in onze opgang naar Pasen, extra moeite doen om verbonden te raken of te blijven met die levende bron die Jezus Christus is. Laten we met Hem meetrekken door de ultieme angst, de dood, heen, voorgoed bevrijdt van alle angsten die ons terug zouden werpen in de materie. Amen.
Meteen na de zaligsprekingen die we vorige week in het Evangelie hoorden, zegt Jezus tot degenen die Hem gevolgd zijn, en over hun hoofden heen dus tot ons; “Gij zijt het zout der aarde”. Omdat deze uitspraak onmiddellijk volgt op de zaligsprekingen moeten we die twee zaken niet van elkaar losmaken. Wat Jezus duidelijk wil maken met de beelden van zout, licht en de stad op de berg is dat zijn volgelingen een voorbeeldfunctie hebben. Maar deze voorbeeldfunctie wordt alleen effectief in de mate dat de zaligsprekingen daadwerkelijk beleefd worden. Wij zijn het zout der aarde, het licht der wereld in de mate waarin wij behoren tot degenen die arm van geest zijn, als wij in onze wereld redenen zien om te treuren, als wij barmhartig zijn, zuiver van hart, als wij hongeren en dorsten naar gerechtigheid, en als wij eventuele vervolging om onze relatie met Christus niet schuwen.
De beelden die Jezus gebruikt om te laten zien hoe zijn leerlingen in het leven moeten staan zijn eenvoudig en duidelijk; ze moeten zijn als zout, licht en een stad op de berg. En die beelden hebben een krachtige, gemeenschappelijke verwijzing; zij verwijzen alle drie naar iets anders dan naar zichzelf. Het zout is er niet voor zichzelf, maar om smaak te geven aan andere spijzen. Het licht is er niet voor zichzelf, maar om de omgeving in het licht te zetten. Een stad op een berg had in Jezus’ tijd een beetje een soort functie als GPS. Mensen die op reis waren konden zich eraan oriënteren. Zout, licht en de stad op de berg staan dus ten dienste van iets anders dan zichzelf en dat zou ook de houding moeten zijn van mensen die leven volgens de zaligsprekingen; echte christenen zijn niet voortdurend uit op eigenbelang maar staan in dienst van God en mensen. Zij waaien ook niet voortdurend mee met elke nieuwe hype maar zoeken de geboden van God consequent te onderhouden. Zij gehoorzamen Hem ook wanneer Hij zegt, bij monde van de profeet Jesaja bijvoorbeeld; “Deel uw brood met de hongerigen, neem de dakloze zwerver in huis, kleed de naakten die ge ziet en keer u niet af van uw medemens. Dan zal uw licht stralen als de dageraad”. Jezus kende deze passage uit joodse heilige Schrift natuurlijk heel goed en Hij moet eraan gedacht hebben toen Hij zelf sprak over hen die leven volgens de zaligsprekingen; “Zo moet uw licht stralen voor het oog van de mensen”. Niet tot onze eigen eer en glorie, moet dat licht stralen, maar, zoals het Evangelie besluit: “opdat de mensen uw Vader verheerlijken die in de hemel is”.
Al met al is het toch wel een confronterend geheel. Want doen wij, doe ik, als christen wel zo heel veel anders dan andere mensen? Oh jawel, wij bidden regelmatig, wij zullen sommige elementen van de zaligsprekingen ook zeker wel beleven, maar toch, als het gaat om ons brood echt te delen? Ach, we geven soms wel een paar centen van wat we over hebben, maar echt delen? Naakten om te kleden zijn er niet, maar onze kapitalistische wereldorde maakt toch wel dat er onverdraagbare verschillen zijn in rijkdom en armoede. Kan ik daar wat aan doen? Niet zo gemakkelijk, maar doe ik alles wat ik wel kan? Zijn we in het licht van de zaligsprekingen, voldoende radicaal christelijk, om door de wereld gezien en geproefd te worden als licht en zout? Of hobbelen we gewoon een beetje mee met de gemiddelde orde van de wereld: lauwe christenen die zich een beetje in slaap sussen met de gedachte; “ach, we doen het zo slecht nog niet”. Nee, inderdaad, zo slecht doen we het niet, maar kan het, als we eerlijk zijn, toch ook niet nog veel beter?
Wat helpen kan, is, dat we onze eindbestemming voldoende voor de geest houden; en die eindbestemming is eeuwig leven, eeuwig geluk bij God. Dit leven, deze privileges, deze welvaart, deze gezondheid, deze status, alles waar wij ons aan vastklampen, dit tijdelijke verblijf op aarde, is niet alles waar het leven om draait. Nee, onze eindbestemming is iets, of Iemand anders, zoals we bij elk levenseinde zingen; “Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf. Wij leven en sterven voor God onze Heer, aan Hem behoren wij toe”. Amen.
Slechte Bijbelkenners, zoals wij katholieken gemiddeld toch altijd nog zijn, zullen het vreemde vertelsel over het land van Naftali en Zebulon, maar gauw overslaan en verder lezen over het grote licht dat is opgegaan. Want dan weten we weer waar het over gaat; het grote licht van Christus en de komst van het Rijk der Hemelen. Nou wil ik mijzelf zeker niet poneren als een bovengemiddelde katholiek en bijbelkenner, maar als je zo een preek mag voorbereiden, dan wordt je wel een beetje verplicht om je erin te verdiepen. En zo leerde ik dat Zebulon en Naftali in de oudheid twee stukken land waren die, net als de andere gebieden daar, vernoemd waren naar de 12 zonen van de aartsvader Jacob. De 12 stammen die het volk Israël vormden. Maar Zebulon en Naftali lagen in een grensgebied in het noorden. En door buitenlandse invloeden en deportaties waren zij weggedreven van de kern van het joodse volk en de Tempel in Jerusalem. Daarover hoorden wij Jesaja spreken in de eerste lezing; “In het verleden is er oneer gebracht over het land Zebulon en over het land Náftali”, maar in de toekomst wordt er eer gebracht aan de zeeroute, de overkant van de Jordaan en het Galilea van de heidenen”.
In het Evangelie horen we dat terugkomen. Want precies daar begint Jezus zijn prediking; “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij”. Als wij Jezus zo horen spreken denken we vooral in spirituele categoriën, maar voor de Jood en was de komst van het koninkrijk heel concreet. Hun hoogste verwachting van de komst van de Messias lag daarin, dat de 12 stammen van Jacob weer verenigd zouden worden tot één groot volk. En daarom worden die twee afdwalers, Zebulon en Naftali, hier specifiek genoemd. Dat is immers wat Jezus zich ten doel stelt; alle volken te verenigen en thuis te brengen bij de ene God. Daarom begint Hij zijn openbare optreden hier in het grensgebied, het Galilea van de heidenen.
Als we het leven van Jezus goed bekijken zien wij dat Hij geboren is in een stal, een plek waar de dieren thuishoren. Hij wordt gelegd in een kribbe, daar waar men het voedsel van de dieren deponeert. Lager kan niet voor mensen. De volkse verbeelding heeft de stal waarin Jezus geboren werd zelfs voorgesteld als een grot. Ook die suggereert laagte en diepte. Het is alsof de Zoon van God bij zijn komst in de wereld zo laag mogelijk wilde neerdalen, tot bij de dieren in de donkere diepte van de aarde. En dat terwijl wij door heel de geschiedenis heen, God juist spontaan associëren met hoogte. Met de bergen, hoger nog, met de hemel. Als God tot ons komt in de kerstnacht geeft Hij blijk van een ondubbelzinnige voorkeur voor de laagte, symbool voor wat klein, onaanzienlijk is, geminacht en misprezen wordt. Dat patroon zet zich voort als we zien welke mensen het eerst bij het goddelijk kind op bezoek komen; onaanzienlijke, arme woestijnherders en niet-joodse wijzen uit het oosten, heidenen, voor wie de weldenkende joden een diepe minachting hebben. Jezus laat zich dopen in de Jordaan; die ligt ongeveer 350 meter onder de zeespiegel. Het is de laagst gelegen regio van de hele aardbol. En de merkwaardige keuze van de Zoon van God manifesteert zich opnieuw als Hij besluit zich te laten omringen door een twaalftal beperkte volgelingen. Daarvoor wendt Hij zich niet tot de hogere kringen van religieuze gezagsdragers zoals de priesters, hogepriesters, Farizeën of Essenen, ook niet tot de machtige Romeinen.
Nee, Hij gaat het zoeken bij arme landarbeiders, eenvoudige vissers, niet in het machtcentrum Jerusalem, maar in het verloren land van Zebulon en Naftali, het Galilea van de heidenen.
“Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen”;
dat is de houding waarmee Jezus Zijn grote dienstwerk begint
en alle mensen, alle volkeren van de wereld wil verenigen
en terugbrengen bij Zijn Vader, onze Vader, de ene God.
Dat is ook de houding waartoe Hij ons oproept als Hij zegt; “Kom en volg Mij”.
Die dienst aan God en mens heeft Hem als het ware uiteengetrokken aan het kruis.
Eén hand uitgestrekt naar de Vader, de andere naar ons.
Biddend, zoals de Evangelist Johannes het zegt;
“Mogen allen één zijn, Vader, zoals Gij in mij bent en ik in U ben”.
Maar het blijft mensenwerk. We lezen in de brief van Paulus dat er al grote verdeeldheid heerst, ook in de jonge Kerk;
“Dit bedoel ik, dat ieder van u zegt: “Ik ben van Paulus”,
“Ik van Apollos”, “Ik van Kefas”, “Ik van Christus”.
Is Christus dan in stukken verdeeld?”
Is Christus dan in stukken verdeeld? Dat kan hij ook gerust tegen ons zeggen want ook wij hebben zo onze voorkeuren voor deze of gene priester, voor deze of gene bisschop, voor dit of dat gezang. Maar er is er maar Een hier in ons midden die dezelfde blijft, gisteren, vandaag en morgen.
Hij stelt zich steeds opnieuw present in de heilige Eucharistie, waarin we eten van dat ene Lichaam dat ons tweeduizend jaar bij elkaar gehouden heeft.
Kerk wereldwijd; Kerk, waarin alle mensen, rassen en standen, gelijkwaardig (niet gelijk maar gelijkwaardig) en welkom zijn. Amen.