OVER DE NAAM
De naam van deze website is ontleend aan een lied van Huub Oosterhuis en Antoine Oomens dat mij diep geraakt heeft toen ik op zoek was naar een fundament onder mijn leven. Het is maar de halve zin want eigenlijk staat er “Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart”. Het gaat over een Gij die geen naam heeft maar wiens betekenis ons, mijn hart, ver overstijgt.
OVER MIJ
Ik ben Pieter Raaijmakers, van “paplepelkatholiek” geworden tot “fundamenteel katholiek”. Natuurlijk weet ik dat dat woord aversie oproept omdat het tegenwoordig direct in verband gebracht wordt met terrorisme, maar ik bedoel het in de zin zoals van Dale het omschrijft “betreffende de grondbeginselen”. Eigenlijk klopt het ook weer niet helemaal want als ik echt een fundamenteel katholiek zou zijn, dan was ik een heilige. Dat zou ik wel willen, maar ik ben er verre van.
De eerste lezing van vandaag weerspiegelt de hele worsteling van God met Zijn Schepping. De wijngaard staat natuurlijk voor het leven hier op aarde. God heeft het allemaal geschapen, zorgvuldig voor ons neergelegd en tenslotte ook de mens zelf het levenslicht doen zien. Met de Schepping van de mens hoopte God een partner te vinden die Zijn liefde zou willen beantwoorden. Maar de mens gaat op de loop met zijn vrijheid en keer op keer misbruikt hij het vertrouwen van God. Bijna had God de hele zaak dan ook maar weer opgeruimd, zoals wij al kunnen lezen bij de Ark van Noach. Maar de mens heeft een nieuwe kans gekregen; en nog een….., en nog een……en nog een. Zoveel geduld is alleen te vinden bij een God die oneindig goed is.
Jesaja schetst 700 jaar vóór Christus nog maar eens een keer hoe het ervoor staat met het volk van God. Maar er wordt naar hem niet geluisterd. De waarschuwing van Jesaja wordt in de wind geslagen. In de parabel die Jezus ons vertelt herneemt Hij het thema van Jesaja over de wijngaard. We zitten inmiddels in het 21ste hoofdstuk. Jezus is opgetrokken naar Jerusalem en Hij heeft al wel begrepen dat ook Zijn zending niet aanvaard wordt door de heersende klasse. In de zoon die als laatste naar de wijngaard gestuurd wordt ziet Jezus natuurlijk zichzelf. Hij is degene die door de vader naar de wijngaard gestuurd wordt. En Israël zal hem behandelen zoals voor Hem de profeten behandeld zijn. Met deze parabel voorspelt Jezus als het ware Zijn eigen lot. Hij zal door de pachters, hier meer precies de hogepriesters en oudsten van het volk, vermoord worden.
Maar de dood van Jezus is niet het einde van de heilsgeschiedenis. God is God en Hij geeft nooit op. Hij geeft het ook nooit op met de mens. “Want de steen die door de bouwlieden afgekeurd en verworpen is, diezelfde steen zal de hoeksteen worden”; dwz. de steen die alles in verband houdt en waarop alles rust. De vernederde, miskende en gekruisigde Jezus is de hoeksteen van het Rijk Gods. Wie Hem verwerpt kan geen deel hebben aan dat Rijk. Het joodse volk heeft keer op keer kansen gekregen in een hele lange rij profeten. Tenslotte kreeg het zelfs Gods eigen Zoon, maar door Hem af te wijzen, vellen zij een verschrikkelijk oordeel over zichzelf. “Hij zal ze op een ellendige wijze te gronde richten en de wijngaard aan anderen verpachten”. Dat geven de hogepriesters en oudsten als antwoord op de vraag van Jezus wat de eigenaar van de wijngaard zal doen met die pachters die zijn zoon gedood hebben.
En inderdaad, Jezus bevestigt hun conclusie; “het Rijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat wèl de vruchten daarvan opbrengt”. Wat Jezus hier aankondigt is het einde van Israël als drager van de goddelijke belofte en de komst van het nieuwe godsvolk, de Kerk. Zo kent deze parabel een vernietigende boodschap voor het oude Israël.
Maar de Evangelist is er niet op uit om een lange neus te maken naar de Joden. Hij heeft veel eerder nog een boodschap voor ons. Jezus heeft de Joden eerder al eens gewaarschuwd; “Zeg niet bij uzelf; Wij hebben Abraham toch als vader”, toen ze zelfgenoegzaam hun rechten meenden te kunnen claimen op het enkele feit joods te zijn. Zo zijn wij evenmin binnengelopen enkel op grond van het feit dat we christen zijn. Op onze beurt moeten wij ons blijven afvragen of wij dan wèl de vruchten opbrengen die God van ons verlangt.
Zoals Paulus zegt tegen de christenen van Filippi; Houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op al wat deugd heet en lof verdient. En brengt in praktijk wat u geleerd is en overgeleverd, en wat gij van mij hebt gehoord en gezien. Dan zal de God van vrede met u zijn.
Laten we er blijk van geven trouwe pachters te zijn van Gods prachtige Schepping. Amen.
Zojuist kregen we weer een van die fantastische parabels te horen, waarmee Jezus op een onnavolgbare manier helder maakt wie God is. En vaak zijn die parabels van zichzelf zo helder en duidelijk, dat het haast genant is om er nog iets aan uit te leggen. Want hoe kun je duidelijker spreken dan Jezus zelf? En ook al hebt u de clou natuurlijk al lang begrepen, ik heb bij mijn voorbereiding op de preek van vandaag toch wel wat elementjes gevonden die me de moeite waard lijken.
Het gaat hier natuurlijk niet om een letterlijk verhaal; Jezus zegt het er zelf bij; “Het is met het Rijk Gods als met een wijngaardenier”. Het gaat over God. Het gaat over het Rijk Gods en hoe God daarin handelt. Het beeld van een koortsachtig heen en weer lopende wijngaardenier, die mensen probeert te vinden om zijn oogst maar op tijd binnen te krijgen, staat voor God, die onophoudelijk in de weer is om mensen te winnen voor Zijn Rijk. En Gods roepen wordt dan ook op verschillende momenten gehoord; de een hoort het vroeg, de andere later, eerst de joden, dan de heidenen. De ene mens is gevoelig voor Gods Rijk vanaf zijn of haar geboorte, de andere pas vijf minuten vóór zijn dood. Maar de beloning, om in termen van de parabel te spreken, de beloning is toch voor iedereen dezelfde.
En dan even naar die onrechtvaardig aandoende manier van betalen. Is het eigenlijk toch geen schending van het heilig principe; “loon naar werk”? Een inbreuk op het economisch fatsoen, een schending van het arbeidsrecht en een zonde tegen de rechtvaardigheid? Hier gooit Jezus toch wel een hele zware steen in de vijver. Hij ondergraaft zonder blikken of blozen één van de fundamenten van de samenleving. En nou was het publiek er wel al aan gewend dat Jezus regelmatig de joodse wetten ondergroef, hier lijkt Hij ook een bom te leggen onder één van de voornaamste beginselen van een geordende samenleving; loon naar werk. In deze zin dus begrijpelijk dat de leiders van de joodse maatschappij plannen smeden om deze ordeverstoorder het zwijgen op te leggen.
Het ongewone gedrag van de wijngaardenier heeft een tweeledige boodschap. Als eerste leert het ons iets over het wezen van God, en als tweede houdt het ons voor hoe wij als christenen moeten handelen in navolging van onze God. Vandaag gaat de sympathie van velen vanzelfsprekend uit naar de mopperaars van het eerste uur. Wij vinden dat ze het gelijk aan hun kant hebben en dat er iets mis is aan de wijze van betaling door de wijngaardenier. Die reactie toont aan dat de gedachten van God vaak niet onze gedachten zijn, onze wegen niet de wegen van God, zoals we ook in de eerste lezing hoorden. Maar de wijngaardenier, God, verdedigt zich met verve; “Vriend ik doe u toch geen onrecht? Wij zijn toch overeengekomen voor een denarie? Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies? Of zijt ge kwaad omdat ik goed ben?” De landeigenaar doet de rechtvaardigheid niet tekort, maar hij overstijgt haar met goedheid. “God is geen boekhouder”, zie de pastoor vorige week al. “God is een liefhebbende vader die evenveel houdt van al zijn kinderen, ongeacht of ze langer of korter gewerkt hebben”. Waar zouden wij belanden als God als een boekhouder al onze verdiensten zou noteren, optellen en aftrekken?
Voor een goed begrip van die vreemde betaling door de landeigenaar is het misschien nog nuttig om een enkel detail te verduidelijken. De landeigenaar betaalt één denarie; dat is genoeg voor de arbeider om zijn gezin voor een dag te eten te geven. Als de landeigenaar zou rekenen volgens de beginselen van de kapitalistische rechtvaardigheid dan zou de arbeider van het laatste uur maar een fractie krijgen van wat hij nodig heeft om zijn gezin te onderhouden. Om te voorkomen dat hij in de problemen komt betaalt de landeigenaar dus niet op basis van het geleverde werk, maar volgens de concrete nood van het gezin. Hij handelt niet op grond van de wet van de rechtvaardigheid, maar op grond van de wet van de liefde.
En zo is de parabel die we vandaag mochten beluisteren een levendig commentaar bij wat Jezus elders in het Evangelie zegt; namelijk dat de liefde het eerste en voornaamste gebod is. Al de andere geboden zijn daaraan ondergeschikt, ook dat van de rechtvaardigheid. Amen.
Kijkend naar de eerste lezing van Jesaja van zojuist komt het welllicht vreemd over dat die koning, Shebna zomaar ineens uit zijn ambt gegooid wordt. Vreemd ook dat de voorgaande paar zinnen van het verhaal niet zijn opgenomen, want dan was het een stuk beter te volgen. Deze koning Shebna laat zich daar een groot praalgraf uithouwen, boven op een berg. Hij is bezig om een monument op te richten voor zichzelf, een monument waarmee hij ook na zijn dood, vanaf de hoogte, nog indruk kan maken. En dat is in Gods ogen een grof misbruik van de macht die Hij Shebna gegeven had. Hij moet die macht niet gebruiken tot eigen eer en glorie, maar om het Godsvolk te leiden.
Het Evangelie past er vandaag goed bij want ook daar gaat het om goddelijke macht die overgedragen wordt van de een op de ander; nu van Jezus op Petrus. Het begint met de vraag van Jezus; “Wie zeggen de mensen dat ik ben?” Jezus vraagt dat niet omdat Hij bevestiging nodig zou hebben, niet met de bedoeling om bejubeld te worden. Jezus vraagt dit met het oog op Zijn naderende einde. Volgende week al, zullen we voor het eerst horen dat Hij dat einde aankondigt. Maar voordat Jezus die weg naar Jerusalem inslaat, wil Hij weten of de missie die Hij heeft van Godswege, of die missie begrepen wordt, door de mensen die Hem het beste kennen; “Wie zegt gij dat ik ben?” De vraag wordt aan de leerlingen gesteld, maar natuurlijk ook aan ieder van ons. Wie is Jezus voor ons? Voor mij?
In het Evangelie zien we een soort tegenstelling tussen wat de mensen zeggen, en wat Petrus zegt. De mensen van de wereld komen niet verder dan wat ze al kennen. Zij kijken met wereldse ogen naar Jezus en zien iets van vlees en bloed; Hij lijkt op een profeet, iemand als Johannes de Doper misschien. Ze zien wel een bijzondere mens in Hem, maar toch ook gewoon -een mens- als alle anderen. Grote groepen mensen, ook katholieken vandaag komen niet verder dan dat. -Jezus “unne goeie mens”, een goed voorbeeld-.
Maar dan het antwoord van Petrus; “Gij zijt de Christus, de gezalfde, de Messias, de Zoon van de levende God’. Petrus ziet niet met de ogen van de wereld, -of zoals Jezus het zegt-, “niet vlees en bloed hebben het u geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is”. Niet met natuurlijke vermogens, niet door een sterke wil of diepgaande studie is het dat Petrus Jezus in Zijn wezen kent, maar vanuit een gelovige openheid. Want alleen daarin kan de Vader iets laten zien. Petrus ziet het dus; “Hier is meer dan een profeet! Dit is God zelf, die in de wereld is gekomen”. En nu Petrus Jezus zo onomwonden heeft erkend als “God onder de mensen”, nu kan Jezus, zeg maar, Zijn geestelijk testament, met een gerust hart bij Petrus neerleggen. Alleen immers iemand die Jezus daadwerkelijk kent zal op een goede manier met Zijn erfenis om kunnen gaan; “Zalig zijt gij Simon bar Jona, want vlees en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is. En Ik zeg u:gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen".
Jezus erkent op Zijn beurt dat deze zwakke Petrus een man van God is, omdat hij door de Vader is aangesproken. Fijntjes herinnert Jezus hem aan zijn zwakke kanten, door hem Simon bar Jona te noemen. Simon, zoon van Jona. Een beetje bijbel kenner kent het verhaal van die ongehoorzame, ongelovige Jona die drie dagen in de buik van een walvis opgesloten werd. Hoe dan ook de belijdenis van Petrus dat Jezus de Messias is, die is voor Jezus het teken dat de toekomst van de Kerk bij niemand anders veilig zal zijn. Hij zegt hem dan ook: "gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen. en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen".
En zie hier onze Kerk van vandaag. Het romeinse rijk is ingestort, koninkrijken, machthebbers zijn gekomen en gegaan, Napoleon, het derde Rijk van Hitler, allemaal weg, maar onze Kerk staat nog altijd fier overeind. Inderdaad; de poorten van de hel hebben haar nooit weten te overweldigen. Er gaat altijd nog een ongelofelijke kracht uit van onze steenrots die vandaag paus Leo heet. Daar is gewoon meer aan de hand dan een goede organisatie of een krachtig leger. Daar is het God zelf die zijn belofte nakomt; “de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen”.
Wij hoeven niet naast onze schoenen te gaan lopen, maar we mogen wel blij en dankbaar zijn om het feit dat wij, net als Petrus, door God zelf geroepen zijn om hier samen vorm te geven aan Zijn Kerk. Of dat nou is als priester, als koster, als misdienaar of gewoon als biddende mens in de Kerk; we mogen dan allemaal een eigen plaats en taak hebben maar in waardigheid zijn wij voor God allemaal gelijk.
Nog even naar die dubbelnaam van Petrus; Simon Petrus. Daaruit spreekt dus dat dubbele van enerzijds die zwakke mens zijn en anderzijds die onbreekbare rots. Het zal niet lang duren immers voordat die rots zijn eigen hachje probeert te redden als Hij tot drie keer zegt: “Ik ken die man niet”. Het is diezelfde dubbelheid die doorheen de hele kerkgeschiedenis gaat; intriges, machtswellust, sexueel misbruik enzovoorts. Ja, de zwakke menselijke kant van Petrus zit overal, ook in de Kerk, ook in ieder van ons. En toch, God doet het met die Petrus, met die Kerk, met ons. Ondanks alle menselijke gebreken ook, is Petrus, is de Kerk door God zelf geheiligd, zijn wij door God zelf gedoopt; aangenomen als zijn eigen kinderen. Amen.
In de jaren van de grote kerkverlating werd het Evangelie van vandaag door moderne exegeten, bijbelwetenschappers, wel als volgt uitgelegd; De mensen die Jezus gevolgd waren naar die eenzame plek hadden goede voorzorgsmaatregelen genomen. Ze hadden allemaal een bescheiden pakketje eetbare dingen meegenomen, maar die hadden ze goed verborgen gehouden; bang als ze waren dat anderen er aanspraak op zouden maken en dat ze dus zouden moeten delen. Jezus kent de situatie. Hij vermoedt dat iedereen wel wat bij zich heeft en maakt van de gelegenheid gebruik om de mensen een ander gedrag aan te leren. Hij gebiedt zijn leerlingen om een voorbeeld te geven van solidariteit en naastenliefde en hun meegebrachte voorraadje niet langer te verstoppen, maar genereus uit te delen. De mensen begrijpen de les van Jezus en naar het voorbeeld van de leerlingen halen ze allemaal hun eigen pakketje te voorschijn. Dan blijkt er ineens meer dan genoeg te zijn voor iedereen.
Ta,daaaa!!! Het Evangelie uitgelegd op een manier die begrijpelijk is voor iedereen. Voor een deel klopt het ook nog en zal Jezus het er mee eens kunnen zijn. Want natuurlijk is het zo dat er genoeg zou zijn voor iedereen op deze wereld als we de zaken beter verdelen. Natuurlijk zou het goed zijn als we niet allemaal op ons eigen pakje brood, -lees vandaag- onze goed gevulde bankrekening-, zouden blijven zitten. Natuurlijk vindt ook Jezus dat het goed is om het voedsel en de rijkdom, die moeder aarde biedt, eerlijk te verdelen.
De zojuist gegeven uitleg biedt inderdaad stof voor een goed gewetensonderzoek. Het is begrijpelijk voor iedereen, maar het staat ver van de ware betekenis van hetgeen hier gezegd wil worden. Overigens; in de geest van de zojuist gegeven uitleg is er in de zestiger jaren wel op meer manieren geprobeerd om de Evangeliën begrijpelijker te maken. Nobele pogingen met één heel belangrijk misverstand; de ware aard van de Evangeliën, de ware betekenis van het leven van Jezus, gaat veel dieper dan morele lessen die elke gezonde humanist ook kan bedenken.
In de Bijbel maken wij kennis met een God die Is. Maar ook een God die niet begrijpelijk of te grijpen is. Door de wonderen uit het Evangelie begrijpelijk te maken, ontdoet men de verhalen van het meest wezenlijke; de Aanwezigheid van de ongrijpbare God in die gebeurtenissen. Nee, zonder te begrijpen hoe dat kan; zoveel brood voor zoveel mensen; mogen we vermoeden dat voor God niets onmogelijk is. Dàt is waarvan Jezus getuigt, dat is waarvan dit Evangelie wil getuigen. Dàt is het waar Jezus van leeft; dàt brood waarvan je nooit meer honger krijgt. Het is het brood, het is het leven dat je niet begrijpt, maar dat je wel krijgt.... van God.
In het Evangelie van vandaag zien we ook een duidelijke verwijzing naar zo’n ander moment in de Bijbelse geschiedenis; het neerdalen van het manna in de woestijn. “...allen aten tot ze verzadigd waren...” lezen we vandaag. Precies dezelfde woorden klinken daar bij de uittocht in de woestijn. Ook daar ervaart het volk iets onbegrijpelijks; voedsel, zomaar uit de hemel, door God gegeven. Het is natuurlijk niet voor niets dat het in de Bijbel vaak gaat over voeding. Letterlijk; brood, water en wijn. Het zijn immers onze eerste levensbehoeften. Eten en drinken staan helemaal bovenaan in onze behoeften-ladder, ja, ze gaan nog boven gezondheid. En juist op het vlak van eten en drinken laat God zijn grote macht zien.
De aanwezigheid van God in het leven van alledag. De aanwezigheid van God in onze eerste levensbehoeften. Dat is wat wij hier uit het Evangelie lezen, dat is wat wij hier dagelijks vieren. Het is ons allemaal aangereikt door Jezus die vanuit God geleefd heeft, die in God voor ons geleden heeft en in Hem is gestorven en verrezen. Dat is ook waarvan Paulus zo sterk getuigt in de eerste lezing; Als Jezus die liefde van God voor ons tot in het uiterste heeft geopenbaard, wie of wat zal ons dan nog van Hem kunnen scheiden? Ook al zijn we maar kleine mensen, gauw van ons stuk te brengen; in Hem kan niets ons deren, zoals Paulus zegt; Geen verdrukking of nood, vervolging, honger, naaktheid. Noch dood, noch leven, noch engelen, noch machten, noch wat is, noch wat zijn zal, geen hoogte, geen diepte, noch enig ander schepsel ou ons kunnen scheiden van de liefde Gods, die is in Christus Jezus onze Heer. Amen.