Vandaag is het de 2e zondag van Pasen, sinds jaar en dag ook bekend als Beloken Pasen. Het woord komt voort uit het feit dat de leerlingen zich, na de gebeurtenissen rond de dood van Jezus, ontredderd en angstig hebben afgesloten van de buitenwereld. In het jaar 2000 riep paus Johannes Paulus deze dag uit tot Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid. Dit besluit van de Paus had alles te maken met de Poolse zieneres Maria Faustina Kowalska. Zij zou een verschijning van Christus gehad hebben, waarbij Hij zichzelf bekend maakte als de Goddelijke Barmhartigheid. Paus Johannes Paulus overleed, toevallig of niet, in 2005 op de vooravond van deze Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid. Maar als we het Evangelie van vandaag goed aankijken, dan zien we dat het bepaald niet toevallig is dat deze zondag de Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid geworden is.
Het Evangelie van vandaag, wederom van Johannes, kent tal van invalshoeken en het meest in het oog springend is natuurlijk de strubbeling rond de ongelovige Thomas. Toch wil ik, geïnspireerd door de Amerikaanse bisschop Barron vandaag een ander facet belichten. Het is een belangrijk element van het christelijk leven en als het verkeerd begrepen wordt, wordt het hele christelijk leven verkeerd begrepen. Laten we even luisteren hoe het begint; “Toen het avond was op die eerste dag van de week en de deuren van de verblijfplaats van de leerlingen gesloten waren uit vrees voor de Joden, kwam Jezus, ging in hun midden staan en zei hun: “Vrede zij u!” Na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De leerlingen waren vervuld van vreugde, toen zij de Heer zagen. Daarop zei Jezus hun opnieuw: “Vrede zij u!” Wat hier van groot belang is, is het feit dat de verrezen Christus Zijn wonden laat zien en vrede aanzegt; ze zijn er tegelijkertijd; de wonden en de vrede. De wonden zijn de tekenen van onze zonden. Want hoe komt Jezus aan die wonden? Probeer eens stil te staan en u te realiseren wanneer en hoe Jezus u het meest irriteert. “Hoezo” zult u zeggen, “wat bedoel je, Jezus is de Zoon van God”. Maar dat is het precies; Zoals St. Petrus ergens zegt: “De gever van al het leven kwam in de wereld, maar jullie hebben Hem gedood”. Jezus, God onder ons, Emmanuel, het Woord dat vlees geworden is; Hij werd bejubeld, maar aan het eind van de dag kreeg Hij te maken met zo’n gewelddadige krachten dat ze Hem aan een kruis genageld hebben. “Maar dat hebben wij toch niet gedaan”, zullen velen zeggen. Nee, letterlijk hebben wij Jezus niet aan het kruis genageld, maar de vraag is wel of wij, als we er destijds bij geweest waren, zoveel anders gedaan hadden. Of wij zoveel dapperder geweest zouden zijn als de leerlingen die hem allemaal in de steek lieten, of wij zoveel beter begrepen zouden hebben wie Jezus waarlijk was. En als we niet zover terug willen kijken, zien we misschien hoe we ook nu nog wonden slaan door te zondigen tegen onze medemens of tegen onszelf.
Hoe dat ook zij en hoe ieder voor zich daarover denkt; de wonden van Jezus confronteren ons met wie we werkelijk zijn; als het puntje bij paaltje komt; niet alleen lieverds, maar ook zondaars. Dat is ook het punt waar Jezus mij het meest irriteert; als Hij mij, bijvoorbeeld in het tonen van zijn wonden, herinnert aan de wonden die ik zelf maak en dat ik dus ook een zondaar ben, die nood heeft aan barmhartigheid en vergeving. En dat is natuurlijk ook de reden dat onze katholieke Kerk niet gemakkelijk op grote populariteit kan rekenen; omdat zij de wereld onverbloemd blijft voorhouden wat zondig is.
Maar Jezus laat niet alleen zijn wonden zien. Juist niet. Hij begint met het aanzeggen van vrede, dan pas laat Hij zijn wonden zien en dan zegt Hij opnieuw “Vrede zij u”. Ja, wij hebben de Zoon van God vermoord, maar diezelfde Zoon van God komt terug met vergevende liefde! Dat betekent dat er tenslotte “geen zonden bestaan die ons kunnen scheiden van de liefde van God”; zoals Paulus schrijft in zijn brief aan de Romeinen. En hier ligt dan ook de kern van het christendom, in het samen bestaan van de wonden van Jezus en de vrede die Hij desondanks aanbiedt. Waren er de wonden alleen, dan was alles voor ons verloren, dan was er alleen de ellende van het geweld en de dood. Was er de vrede alleen, dan zou dat een tot een goedkoop, onwaarachtig en tot niets verplichtend “everybody happy”, leiden. Maar in dit gebeuren van de wonden die er zijn, en de vrede die Christus brengt ligt de grote vreugde van het christendom; dat wij, zondaars, kleine of grote, nooit voor Hem verloren gaan. En daarom mag deze zondag dan ook Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid heten.
Vervolgens spreekt Jezus deze woorden; “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik u.” En na dit gezegd te hebben blies Hij over hen en zei hun: “Ontvangt de Heilige Geest”. Van wie gij de zonden vergeeft, hun zijn ze vergeven, van wie gij ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven.” Jezus draagt de leerlingen op om die Goddelijke Barmhartigheid, die ultieme vergevingsgezindheid, zoals die door Jezus gebracht werd, door te geven aan de hele wereld. En zo krijgt de Kerk dus die dubbele opdracht; de wereld blijvend herinneren aan datgene wat niet deugt, datgene wat zondig is, en tegelijkertijd de zondige mens niet plat slaan, maar opbeuren en nieuwe kansen geven. Niet 7 maal zoals de apostelen ergens voorstellen, maar 70 maal 7 maal. De opdracht om deze vergevende liefde te verspreiden werd allereerst aan de apostelen gegeven.
De sacramentele vorm ligt daarom logischerwijs bij de bisschop en zijn helpers, de priesters. De Biecht, sinds de zestiger jaren verguisd door een generatie lauwe katholieken die zich, in een doorgeslagen mondigheid, niets meer wenst te laten gezeggen. Dat is eigenlijk heel pijnlijk, want als er één sacrament is waar we niet zonder kunnen, dan is dat juist die vergevende liefde; jezelf niet hoeven te verstoppen achter een masker van schijnheiligheid, niet ’s nachts, alleen in je bed treuren over je misstappen, niet steeds verder verharden ten opzichte van je medemens, maar de wonden in je leven laten verzorgen door de vergevende liefde van God in de Biecht. Maar het zal u duidelijk zijn dat het niet alleen om sacramentele vergeving kan gaan. We hebben allemaal de opdracht om te vergeven. We zeggen het dagelijks in het belangrijkste gebed dat Jezus ons leerde; “Vergeef ons onze schulden zoals wij vergeven aan onze schuldenaren”. De onderlinge vergeving van mensen is misschien wel net zo belangrijk als de Sacramentele. Want als we alle fouten van onszelf en van onze naasten alleen maar blijven optellen en niets daarvan wegstrepen door het te vergeven, dan komen we terecht in een wereld van haat en zelfhaat. Met andere woorden; vergeven is noodzaak. Wat een rijkdom, de Goddelijke Barmhartigheid, aan ieder van ons gegeven. Wat een geluk, de katholieke Kerk die Gods Barmhartigheid door de tijd draagt. Amen.
Het is alweer heel wat jaren geleden dat ik mij nog kwaad maakte over het feit dat mijn vrouw, als leerkracht op nota bene een katholieke basisschool, op Witte Donderdag niet naar de avondmis kon, omdat er op school een Goede Doelenmarkt gehouden moest worden. Hoewel goedbedoeld als uitvloeisel van de Vastenaktie; maar Witte Donderdag is geen markt, ook geen Goede Doelenmarkt. En als deze weg naar, wat men noemt, eigentijdse vormen, eenmaal is ingeslagen, valt het te verwachten dat op den duur de hele betekenis verdampt. De school doet inmiddels dan ook niets meer met Witte Donderdag.
“Gedenk de Sabbath, die moet heilig voor u zijn”: lezen we bij de Tien Geboden. En over het begin van de uittocht uit Egypte horen we in de eerste lezing; “Van geslacht tot geslacht moet ge deze dag, als een eeuwige instelling, vieren.’ Deze dag moet gij tot een gedenkdag maken, ge moet hem vieren als een feest ter ere van de Heer”: “Doet dit tot mijn gedachtenis”: zegt Jezus als Hij begint aan zijn Uittocht.
Gedenken, gedachtenis. Die woorden kunnen bij ons een misverstand oproepen want we zijn daarbij geneigd te denken aan iets uit het verleden. Iets wat we in herinnering roepen, maar wat eigenlijk voorbij is. Dat is niet wat de bijbel verstaat onder “gedachtenis”: Bijbels gedenken betekent dat het verleden hier en nu werkelijkheid wordt. Het gebeurt opnieuw, het is nu aanwezig. Zo betekent bv. “Gedenk de Sabbath” natuurlijk niet dat je er een keer aan terugdenkt. Nee, de Nederlandse vertaling heeft er, deels terecht, ook van gemaakt; “onderhoudt de sabbath”. Voor ons de zondag; maar je moet er iets mee doen. De zondag, de dag des Heren, moet een werkelijkheid voor je worden. Hij moet je losmaken uit de slavernij van Egypte, die symbool staat voor onze drukke werkweek. Even staken, even verwijlen in de ruimte die God ons geeft. Dus “gedenk de Sabbath” betekent nèt iets meer dan “houdt je aan de Sabbath”.
Jezus viert het Paasmaal met zijn leerlingen. En als Jezus het Paasmaal viert dan gedenkt Hij met zijn leerlingen datgene wat alle Joden gedenken; die laatste maaltijd voor de Uittocht uit Egypte. Voor Jezus is dit gedenken wel akelig dichtbij. Hij voelt in alle rumoer die er inmiddels rond zijn persoon ontstaan is, aan, dat Hij voor een beslissend punt staat op Zijn levensweg. Hij voorziet dat Hij zelf wel eens dat Lam zou kunnen zijn dat de Joden gewoon zijn te slachtten voor de Uittocht die met Pasen herdacht wordt. En zo is het ook gegaan. Jezus heeft in Zijn lijden, sterven en verrijzen de mensheid tot een beslissende bevrijding geleid. Hij heeft ons niet bevrijdt uit de slavernij van Egypte, maar uit de slavernij van zonde en dood. Voorgoed bevrijdt uit de boeien van dit tijdelijke aardse bestaan waarin zonde en dood ons steeds weer naar beneden drukken. Ik meen echt wat ik zeg en tegelijk met dat ik het zeg krijg ik het gevoel dat ik maar amper besef wat het betekent. Want eeuwig leven bij God blijft toch zo’n ondoorgrondelijk iets! Je kunt je dat toch niet voorstellen! En toch. Je moet het geloven, omdat Jezus het zegt. Je kunt het geloven, omdat Jezus het zegt. En je mag het geloven, omdat Jezus het zegt. En zo is de Eucharistie ook zo’n onbegrepen groot feest. “Doen tot Zijn gedachtenis” niet een beetje terugdenken aan vroeger, maar hier en nu binnengaan in dat grote feestmaal; eeuwige geborgenheid, deel uitmaken van Vader, Zoon en Geest. Een mysterie zo groot als het leven zelf.
En tot wat voor een levenshouding zou dat besef van eeuwige geborgenheid leiden? Ook daarin gaat Jezus ons voor bij de voetwassing. Me dunkt dat dat verder geen uitleg nodig heeft.
Tenslotte nog dit: Witte Donderdag de dag van de Eucharistie, is ook een beetje het feest van de priesters. Gisteren is in de St. Jan de Chrismamis gevierd, maar die hoort eigenlijk thuis op deze dag, de ochtend van Witte Donderdag. En in die viering, waarin de heilige oliën gewijd worden, vernieuwen de priesters heel nadrukkelijk hun wijdingsgelofte. En voor ons, niet priesters, is het misschien goed om eens stil te staan bij de bijzondere opgave waarvoor zij getekend hebben. Afzien van de stichting van een gezin en je helemaal geven aan Christus en de Kerk. De priesters zijn daarin voor ons, net als de Eucharistie een teken. Een teken dat het leven met God veel groter is dan onze aardse gehechtheden en beslommeringen. Laten we God danken dat we Eucharistie mogen vieren en laten we Hem ook danken dat Hij ons daartoe priesters gegeven heeft. Amen.
Degenen die hier elke zondag komen zullen inmiddels wel in de gaten hebben wat voor pareltjes wij elke keer uit het Evangelie te horen krijgen. En wat u mogelijk ook in de gaten hebt is, dat de gebeurtenissen die verhaald worden elke week intenser worden. Twee weken geleden hoorden we het wonderlijke gesprek van Jezus met de Samaritaanse, vorige week een bijna komische vertelling van de genezing van een blindgeborene. En vandaag de apotheose; een dode die ten leven gewekt wordt. Misschien moet ik even toelichten wat ik komisch vond aan het Evangelie van vorige week want in de kern was het natuurlijk bloedserieus. Maar het grappige van het Evangelie was, dat niet zozeer Jezus, maar juist de blindgeborene optreedt als verkondiger van het geloof. Eerst moet hij zijn buren en familie overtuigen; “De mens die Jezus heet, maakte slijk, bestreek daarmee mijn ogen en zei tot mij: ‘Ga naar de Siloam en was u. Ik ben er naar toe gegaan, waste mij en kon zien.’ Vervolgens vragen het de Farizeeën die Jezus een zondaar noemen omdat Hij zich niet aan de regels van de sabbath houdt. En dan zegt de blindgeborene; “Of hij een zondaar is, dat weet ik niet. Een ding weet ik wel, dat ik eerst blind was en nu zie”. Prachtig toch hoe hij de kritiek van de Farizeeën pareert! En als ze het dan nog eens voor de derde keer vragen: “Hoe zijn u de ogen geopend?’ dan antwoord de blindgeborene; “Dat heb ik al gezegd. Waarom wilt gij het opnieuw horen? Wilt gij soms ook een leerling worden van die man?” U kunt zich voorstellen dat de Farizeeën witheet aanlopen.
Het Evangelie van vandaag is in mijn puberjaren zo’n beetje de oorzaak geweest om de kerk te verlaten. “Dat kan niet!” was mijn stellige overtuiging. “Maak dat de kat maar wijs, maar ik heb meer verstand. Ik houd mij voortaan niet meer bezig met die onzin!” Maar, ik denk dat het komt omdat ik nooit innerlijke vrede kon vinden met mezelf en de wereld; in elk geval ben ik altijd blijven zoeken naar iets dat een waarachtig fundament onder mijn leven zou leggen en uiteindelijk toch weer in een gelovige beweging terecht gekomen. Daar werd mij onder andere verteld dat je de verhalen van Jezus niet letterlijk moest nemen, maar dat het allemaal symbolisch bedoeld is. In eerste instantie was dat voor mij een verademing, maar na enkele jaren ontdekte ik dat ik blij was geweest met een dooie mus.
Want als het allemaal maar symbolisch is, als ik bijvoorbeeld de wonderbare broodvermenigvuldiging alleen moet zien in de geest van: “Als we maar samen delen, dan hebben we allemaal wat”, dan is er destijds toch helemaal niks bijzonders gebeurd. Als het allemaal maar symbolisch is, dan hoeven ze daar toch niet al die Bijbels voor uit te geven, of al die kerken te bouwen. En waarom hangt Jezus dan aan het kruis? Wat heeft het voor nut dat Hij zijn leven geeft? Niet symbolisch, maar echt.
Het Evangelie van vandaag is weer een pareltje, ik zei het al. Het is in de kern een schokkend verhaal. Zo schokkend dat de mensen in Jezus tijd er eigenlijk geen van allen raad mee wisten. Ze weten inmiddels allemaal wel dat er iets bijzonders aan de hand is met Jezus, dat Hij over bijzondere gaven beschikt. Hij zou de zieke Lazarus wel kunnen genezen. Maar waarom komt Hij niet meteen in actie, waarom loopt Hij nog twee dagen te dralen onder de mysterieuze woorden; “Deze ziekte lijdt niet tot de dood maar is er omwille van Gods heerlijkheid, opdat de Zoon van God er door verheerlijkt moge worden”.
Het gebeuren rond de zieke, later dode en opgestane Lazarus is een teken dat tot doel heeft dat de mensen Gods grootheid leren kennen. De opwekking van Lazarus is een onvoorstelbaar krachtig teken waarin God laat zien wie Hij is; sterker dan de dood. “Het kan niet!” zei ik vroeger. Met onze minister president, hoewel het er niets mee te maken heeft, zeg ik vandaag. “Het kan wel!”
Natuurlijk kan het wel; als God Schepper van hemel en aarde is. Als God in staat is om uit niets onze prachtige wereld te scheppen, waarom zou Hij dan niet in staat zijn een dode het leven terug te geven? Of weten wij soms beter wat God wel en niet kan? Natuurlijk zouden we dat zelf allemaal dan ook wel eens een keer willen zien. Al is het de vraag hoe we zouden reageren. Want er vindt in dit gebeuren een grote tweedeling plaats. Het Evangelie van vandaag eindigt met de woorden; “Vele Joden die zagen wat Hij gedaan had geloofden in Hem". Maar meteen in de volgende regel van hetzelfde Evangelie wordt door de Sadduceeën en Farizeeën besloten dat Jezus dood moet. En daar zien we geen verzet van al die Joden die getuigen waren van de opwekking van Lazarus.
Een ander aandachtspuntje uit het Evangelie. Als Martha Jezus ziet komt ze met een nauwelijks verholen verwijt; “Heer als Gij hier waart geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn”. Hoe herkenbaar voor ons, toch? Leven wij, bij een zekere tegenspoed niet ook vaak met een soort verwijt? “Waarom hebt U niks gedaan?” Even later herhaalt Maria hetzelfde verwijt aan het adres van Jezus en voor een derde keer doen de critici het nog eens, met nog meer venijn; “Kon Hij die een blinde de ogen opende, niet zorgen dat deze niet stierf?"
Maar zullen sommigen zeggen, "Martha getuigt toch zeker wel van haar geloof". Want zij zegt toch; "Zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.” Jezus zei tot haar: “Uw broer zal verrijzen.” Marta antwoordde: “Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.” Dát, dat de doden verrijzen op de laatste dag, dat is immers een onderdeel van het joodse geloof. Dat gelooft ze wel, maar dat Jezus in staat is om Lazarus nu uit het graf te doen opstaan, dat gelooft ze niet en dat gelooft eigenlijk niemand, totdat ze het met eigen ogen zien. “Ik ben de verrijzenis en het leven, zegt Jezus van zichzelf”.
En het wenen wat Jezus doet is niet allereerst omdat Hij zo’n verdriet heeft over Lazarus, maar vooral omdat die hardnekkige mensheid maar niet wil geloven wie Hij is. En wat kan Hij nog meer doen? Zelf sterven en verrijzen is de laatste optie en dat zal dan ook moeten gebeuren. Dat zal het ultieme teken zijn aan de mensheid; Gods liefde die zover reikt dat Hij Zelf voor ons wil sterven, opdat wij Hem eindelijk zullen kennen. Amen.
“Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”; aan dat boek van de joodse rabbijn/filosoof Harold Kushner moest ik denken bij het lezen van het Evangelie van vandaag. “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”. Het hele Evangelie van Johannes kent een bijzonder soort taal met vaak meerdere lagen van betekenis. Zo ook het verhaal van de Samaritaanse vrouw bij de bron. Er gebeurt hier nogal het een en ander. Voor de tijd waarin Jezus leefde was Zijn optreden hier revolutionair. Op de eerste plaats worden Samaritanen door de Joden gezien als ketters, die ze met de nek aan kijken. Jezus niet; hij gaat spontaan in gesprek, niet eens met een Samaritaan, maar ook nog eens met een Samaritaanse; met een vrouw dus. Dat het verhaal zich afspeelt bij een bron heeft ook nog weer een extra betekenis; Alleen bijvoorbeeld al omdat water zo van levensbelang is in het gortdroge Midden-Oosten. Maar de ontmoeting tussen een man en een vrouw bij een bron, verwijst voor de Bijbelvaste Jood onmiddellijk naar het huwelijksverbond. Alle grote huwelijken die in de Bijbel beschreven worden zijn immers ontstaan bij een waterput: Jacob vindt er zijn Rachel, Mozes Sipporra en voor Isaac wordt Rebecca gevonden bij een waterbron. Is Jezus hier dan een beetje aan het flirten met die Samaritaanse? In zekere zin wel.
De relatie tussen God en de mens wordt in de Bijbel vaker uitgedrukt als een huwelijksverbond; God is daarin de bruidegom, de mens Zijn bruid. En in deze zin is Jezus, als bruidegom, deze vrouw aan het verleiden tot een huwelijk; niet voor zichzelf, privé, maar om haar terug te brengen bij God. Dat is per slot van rekening de hele missie van Jezus komst in deze wereld; de mensheid bevrijden uit de banden van de dood en haar te brengen tot het eeuwige bruiloftsmaal bij God. En hier zien we dat de Samaritaanse vrouw behoorlijk verdwaald is; vijf mannen heeft ze gehad en ze is nu met de zesde bezig. Dat brengt me even terug bij de titel van dat boek: “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”.
En dan horen wij dat gesprek van Jezus met de vrouw over dat water. Het gaat kennelijk over twee verschillende soorten water; het aardse, het materiële, het lichamelijke, dat water waar je nooit genoeg van krijgt en een ander soort water. Misschien mag je zeggen; het geestelijke water. Een totaal ander soort water. Water dat aanzet tot enthousiasme, geestkracht, geloof. Een soort water waarbij je, als je ervan gedronken hebt, overloopt. Zoals de vrouw onmiddellijk overloopt van enthousiasme en iedereen die het horen wil, gaat vertellen, niet over die waterbron, maar over de bron die Jezus is. En zo borrelt dat water nog steeds op uit die bron; 2000 jaar ononderbroken uit het hart van onze Kerk, de Eucharistie.
Misschien mag ik proberen om het nog wat inzichtelijker te maken. Wij mensen zijn wezens die leven tussen hemel en aarde. Terwijl we ten diepste verlangen naar het hemelse, eeuwige geluk, ligt het aardse voor ons veel meer voor de hand. Het hemelse, het eeuwige geluk is niet direct tastbaar; het bestaat voor de aardse mens enkel als een belofte. Na alles wat we in de Bijbel lezen, en over Jezus weten een heel aannemelijke belofte, maar....., toch nog steeds alleen een belofte. En daar moet je dus in geloven. Als aan Jezus gevraagd wordt wat wij moeten doen, dan is Zijn antwoord; “Te geloven in Degene, die God gezonden heeft.”
Wij spreken van moeder aarde, moeder, mater, materie, materialisme. Materie is alles wat op aarde te vinden is; datgene wat we zien en proeven en aan kunnen raken. En het grote gevaar voor een mens die de Schepper niet herkent, die God niet kent, het grote gevaar voor die mensen is, dat ze denken dat ze hun geluk alleen kunnen vinden in het aardse, in die materie. Dus als ze zich niet echt gelukkig voelen, duiken ze nog dieper in de materie, raken toch weer gefrustreerd en kunnen dan alleen bedenken, dat ze nog meer of misschien heel andere materie nodig hebben om gelukkig te worden. Zij drinken gulzig van het water waar ze steeds opnieuw dorst van krijgen. "Ze hebben vijf mannen gehad". “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”.
Maar wat is dan toch dat levende water waar Jezus het over heeft? Dàt levende water heeft vele namen: de verzoening met God, het kindschap van God, het eeuwige leven, de heilige Geest die in je leeft, de heilig makende genade, de verlossing. Door het leven schenkende water van het doopsel hebben wij dit alles al ontvangen en zijn we kinderen van God geworden. Geliefd door de Vader die over ons waakt. “Wees maar niet bang”, in Hem zijn wij veilig wat er ook gebeurt. Is er iets aards, iets materieels te bedenken dat belangrijker is dan dat?
Laten we dan, in onze opgang naar Pasen, extra moeite doen om verbonden te raken of te blijven met die levende bron die Jezus Christus is. Laten we met Hem meetrekken door de ultieme angst, de dood, heen, voorgoed bevrijdt van alle angsten die ons terug zouden werpen in de materie. Amen.