Groter dan ons hart

Pieter Raaijmakers

6 Juni 2020

3 x God = Liefde. H. Drie-eenheid. 2020

Ex. 34, 4b-6,8-9, 2 Kor.13,11-13, Joh.3, 16-18.

Vandaag vieren we het feest van de H. Drie-eenheid; een van de meest vreemde, moeilijkst te bevatten doctrines van onze Kerk. Een nachtmerrie voor veel predikanten, een raadsel voor theologen of gewoon een moeilijk woord voor iets heel eenvoudigs? Van alles is er over gezegd en dat is ook niet gek want we beginnen elk gebed met de belijdenis van die Drie-eenheid; Vader Zoon en H Geest. Vandaag mag ik het proberen en als ik mijzelf tot opdracht zou stellen om dan eens klip en klaar duidelijk te maken wat het is dan zou ik een groot probleem hebben. Maar gelukkig hoeft dat niet. Gelukkig kan dat niet. Om te beginnen kan bijvoorbeeld niemand al zeggen wie de eerste persoon van de Drie-eenheid is; God de Vader. God de Vader is naar alle waarschijnlijkheid geen man met een baard. Ook geen man zonder baard. Waarschijnlijk is het ook geen vrouw, zoals sommigen tegenwoordig graag horen. En ook al kunnen we niet omschrijven wie God precies is, eenvoudigweg omdat Hij Zelf niet gewild heeft dat wij dat zouden kunnen, geloven wij wel in Hem. Overal waar we in de Bijbel iets over God lezen, gaat het over een verborgen God. Een onzichtbare God, een God die spreekt vanuit een wolk. Mysterieus. En als bijvoorbeeld Mozes vraagt; “Wie bent U” dan antwoordt Hij iets als; “Ik ben die Is” Ook niet dat je meteen zegt; “Oooh, nou snap ik het”. Toch weten we dat God er is. Dat weten we, omdat we zelf leven. En dat weten we omdat we leven in een Schepping, die weliswaar net zo mysterieus en groots is als God zelf, maar die wel degelijk “is”. Het is de God zoals ook het Joodse volk Hem kent; onnoembaar, ongrijpbaar, in zekere zin op grote afstand; “God de almachtige Vader”.

Maar dan! Zo’n 2000 jaar geleden is Jezus in de mensengeschiedenis verschenen; de tweede persoon van de goddelijke Drie-eenheid; God de Zoon. Daar hebben we Iemand waar heel wat meer concreets over te zeggen is. Niet ver af, niet hoog verheven, maar tastbaar, gewoon rondlopend op deze wereld. We hebben maar liefst vier verslagen van wat Hij allemaal gezegd en gedaan heeft. Ik hoef dat nu niet allemaal op te noemen; we hebben de belangrijkste lijnen gehoord vanaf Aswoensdag tot Pinksterzondag. Wij zeggen terecht dat de Verrijzenis het kernpunt van het christendom is, maar ik zou ook graag even een ander kernpunt aanwijzen. En dat is de manier waarop Jezus met die mysterieuze, verre God om gaat. Het belangrijkste daarin is, hoe Jezus God aanspreekt. Waarschijnlijk niet met “Vader”, zoals onze Bijbel het netjes vertaald heeft. Als Jezus met God praat dan gebruikt Hij een woord met veel meer nabijheid. Bijvoorbeeld zoiets als “pappa”. En zonder Hem dan verder aan te kunnen wijzen, zit in dat woord “pappa” de Geest waarin de Vader en de Zoon samen zijn. Een innige liefdesband.

In de laatste weken, tussen Pasen en Pinksteren hebben we, vooral in de missen door de week, veel stukken gelezen uit het Evangelie van Johannes. Wat mij daar gaandeweg steeds meer opviel was hoe vaak het woord “liefde” voorkomt in de gesprekken van Jezus met God. Ik neem u graag nog eens mee.

-  Wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden; ook Ik zal hem beminnen en Ik zal Mij aan hem openbaren."

-  Heilige Vader, bewaar in uw Naam hen die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij één mogen zijn zoals Wij.

-  Ik zeg dit opdat zij Mijn vreugde ten volle in zich zouden bezitten.

Ik heb hen de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij geschonken hebt, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn; Ik in hen en Gij in Mij, opdat zij volmaakt één zijn en de wereld zal erkennen dat Gij Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad, zoals Gij Mij hebt liefgehad van vóór de grondvesting der wereld.

En vandaag; “zozeer heeft God de wereld liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben”.

Liefde, vreugde, genade. Lees het zelf thuis nog eens na en u zult versteld staan van de gedrevenheid waarmee Jezus, vol tederheid, bijna zingt over de liefde die er is tussen Hem,  Zijn “pappa” en ons, Zijn mensen. “Ik in hen, Gij in Mij”. Het verlangen van Jezus tot eenheid, tot diepe verbondenheid met de Vader en met ons, is bijna duizelingwekkend. En dat nota bene met de dood voor ogen. Dat is dus ons geloof in de drie-ene God. Een God die niets anders is, dan barmhartigheid, trouw, liefde en medelijden! En natuurlijk zal men tegenwerpen: “En al die ellende in de wereld dan?” Waar is die liefdevolle, trouwe God van jullie? Ja, daar tasten ook wij, met Mozes, in de wolken. Wij weten het niet, wij begrijpen het niet; wij zijn niet zelf God.

Het Evangelie van vandaag eindigt een beetje cryptisch. “Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren Zoon van God”. Ik versta het zo; Als je blind blijft voor de hoogste vorm van Liefde in het universum; als je je niet laat redden door die Liefde, dan moet je jezelf redden en dat is een godsonmogelijk karwei, dat is een ondraaglijk oordeel. Mogen wij in de Heilige Eucharistie weer eten en drinken van Gods Liefde, opdat we zelf Liefde worden. Amen.

23 Mei 2020

"Eeuwig leven is de enige ware God kennen" Zevende zondag van Pasen A 2020

Zevende zondag van Pasen  A. Hand. 1, 12-14, 1 Petr. 4, 13-16, Joh. 17, 1-11a

Als je de vier Evangelies naast elkaar legt, dan moet het je opvallen hoezeer het Johannes-Evangelie verschilt van de andere drie. Waar Lucas, Matthëus en zeker Marcus zich veel strakker bij de feiten houden, heeft Johannes een mysterieuze, poëtische manier van vertellen, met veel symboliek. Maar ook met een diepe betekenis.  Zo lezen we ook vandaag van die verheven zinnen; “Vader het uur is gekomen, Verheerlijk uw Zoon, opdat de Zoon U verheerlijke”. Eigenlijk zou u straks thuis dat Evangelie nog eens rustig moeten gaan zitten lezen en herlezen, en stil zijn……, en nog eens lezen en er op mediteren, want het is een krachtig stukje Evangelie. Het is een gesprek van Jezus met God, of eigenlijk een gebed dus.

Als er iets is waarover gelovigen en ongelovigen verdeeld zijn, dan is het wel het geloof in het eeuwige leven. Dat Jezus “unne goeie mens” was en dat de Tien Geboden de moeite waard zijn om na te volgen, dat kan nog door een heleboel mensen onderschreven worden. Maar bij het “eeuwige leven”, de consequentie van de Jezus’ verrijzenis, daar haken de meeste mensen toch echt af. Dat gaat ver voorbij ieders voorstellingsvermogen en dus bestaat het niet. “Wetenschappelijk is het volslagen onzin en als dàt het cruciale punt is van het christendom, dan zal de rest ook wel onzin zijn”: zo redeneert men. Wij zijn allemaal kinderen van deze tijd. Wij laten ons niets meer “wijs maken” zoals dat heet. En dat is ook heel verstandig. Wij mogen ons niets meer wijs laten máken maar wij moeten wel wijs zien te worden. Als ik er zelf bij stilsta, dan is het ook voor mij geen appeltje-eitje, dat kernpunt van ons geloof. Wat is nou toch dat “eeuwige leven”? En dan klinkt daar dat verlossende woord van Jezus; “Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige ware God en Hem die Gij hebt gezonden; Jezus Christus”. Als wij ons dus afvragen; “Wat zou dat eeuwige leven toch kunnen zijn?” dan is hier het antwoord; Niet zozeer het soort luilekkerland dat we ons proberen voor te stellen,  maar  “Dat wij de enige, ware God kennen”.  -Eeuwig leven….. is God kennen-. ………….. En hoe kunnen wij God kennen? Door goed naar Hem te kijken want Hij heeft zich in deze wereld laten zien. God heeft zich “ge-openbaard” in plechtiger taal, door Jezus Christus. Dat is dus wat ons te doen staat “de enige ware God leren kennen door Jezus Christus”, en daarom komen we hier al 2000 jaar samen.

“Nu weten zij dat al wat Gij mij gegeven hebt, van U komt”; zo gaat Jezus verder in zijn gebed. Dat is dus wat wij moeten weten; dat alles wat Jezus heeft en wat wij hebben, van God komt. Dat is geen heel groot nieuws, want de joden geloven daar al vijfduizend jaar in. Toch kan Jezus zeggen; “Nu weten zij….dat”. Nu….. Omdat Hij nu, in Gods naam, de laatste macht van de wereld overwonnen heeft; de dood.  Omdat nu in een mens zichtbaar is geworden wie God is. Helaas geloven steeds minder mensen in de enige ware God. Voor steeds meer mensen is de eigen mening en het eigen gevoel maatgevend. Steeds minder mensen geloven dat er iets bestaat als een universele waarheid en steeds meer mensen denken dat ieders eigen waarheid, dè waarheid is. Dus als de Kerk zegt; dit of dat is niet goed  voor een mens, dan zegt een steeds groter wordende menigte; “Ja, dat is haar mening, maar ik vind iets anders”. De afwezigheid van God in onze samenleving en de toenemende verafgoding van die “eigen mening” is een gevaarlijke ontwikkeling die we ook terug zien in de politiek. Want als er geen gezamenlijk erkend richtpunt meer is, als de meningen van alle mensen even zwaar tellen, als datgene wat wij “ver-antwoord-elijkheid” noemen niets meer te maken heeft met een “antwoord geven  aan de enige ware God”, dan raakt een land onbestuurbaar en vervalt het in chaos. En dat is al de hele mensengeschiedenis door zo. Lees er de oude verhalen uit de Bijbel maar op na; iedere cultuur waaruit God verdween, kwam tot verval. 

Waarom vertel ik u dit? Waarom U, die toch wèl naar de Kerk komt. U, die dus wel op zoek bent naar de enige ware God? Twee redenen; ten eerste, voor het geval dat u ook zou gaan twijfelen door de toenemende druk van een samenleving die ons voor gek verklaart.  “De wereld die Mij niet kent”: zoals Jezus haar noemt. Ten tweede; Wij mogen ons geloof niet voor onszelf houden. Wij moeten alle mensen de kans geven om de enige ware God te leren kennen en daarmee het eeuwige leven te verwerven. Wij mogen ons voeden met dat stevige woord, het vuur dat spreekt uit het Evangelie van vandaag, en daarmee getuigen in de wereld om ons heen. Niet met geweld of met een opgestoken vingertje, maar op de manier van Jezus; liefhebben met alles wat in ons vermogen ligt. Want het gaat echt ergens over.  Het gaat over leven en dood. Wij zijn allemaal geroepen tot dat “werk” waar Jezus over spreekt, maar dat Hij zelf wel tot het uiterste volbracht heeft. Méér liefde geven dan dat Hij gedaan heeft kan eenvoudigweg niet! Laten wij dus, in deze week tussen Hemelvaart en Pinksteren, met dit woord van Jezus in ons achterhoofd, net als de apostelen, volharden in gebed. Opdat wij God leren kennen en Hij ons geven zal wat wij nodig hebben om, op onze manier, Zijn werk te volbrengen. Amen.

 

16 Mei 2020

Getuigen van de hoop die in je leeft. Zesde zondag van Pasen 2020.

Hand. 8, 5-8.14-17, 1Petr. 3,15-18, Joh. 14, 15-21

Het Evangelie van vandaag, kan bij het eerste gehoor wat moeilijk overkomen. Zo kennen we Johannes; mijmerend en tastend naar woorden om dat grote mysterie van God met mensen verstaanbaar te maken. Als we iedere zin apart willen analyseren kun je er wellicht een heel geleerde studie van maken. Maar als we in vogelvlucht de strekking proberen te proeven dan gaat het maar om één ding; de belofte dat God ons niet in de steek laat. In de tijd vóór Jezus niet, in de tijd ván Jezus niet en in de tijd ná Jezus niet. Toen niet, nu niet en nooit. Nooit laat God ons in de steek! U hoort dat waarschijnlijk niet voor het eerst. Eerlijkgezegd gaat het mij vaak het ene oor in, het andere uit. Maar als je goed stilstaat bij wat het betekent; als die boodschap echt een plek krijgt in je hart, dan zal je leven nooit meer hetzelfde zijn. “God laat mij nooit in de steek”. Het enige wat Hij van ons vraagt is dat wij in Zijn liefde blijven. Anders gezegd; dat wij zelf Zijn uitgestrekte hand niet loslaten. Hij vraagt ons niet om bij voorbaat heilig te zijn, Hij vraagt ons om de relatie met Hem te onderhouden.

Wij leven in de tijd tussen Pasen en Pinksteren, en wat voor een tijd is dat? Mogelijk is er in de hele kerkgeschiedenis niet één moment geweest, waarop ons geloof, wereldwijd, zo beproefd is geworden als nu. Er is een verbod uitgesproken op het houden van openbare Eucharistievieringen en in de paniek rond de eerste coronadoden zijn wij –en dan spreek ik over de pastoor en mij- daar gedeeltelijk in meegegaan. Maar toen wij weer bij onze positieven kwamen hebben wij toch meteen hele grote vraagtekens gezet bij dat verbod. Want hoe verhoudt zich de angst voor een ziekte met ons vertrouwen in God? Hoe kunnen wij nu, juist in deze tijd van nood, het belang van onze relatie met God opzij schuiven? De God die wij toch belijden als de Schepper van Hemel en Aarde. De God die alles geschapen heeft, Hemel en Aarde, al wat leeft en dus ook virussen? “Een foutje van de Schepper misschien?” O ja? Weten wij het dan misschien beter dan Hij? Of geloven we eigenlijk toch niet echt in God als Schepper van Hemel en Aarde? Geloven we, als het puntje bij paaltje komt, ook niet echt  in de verrijzenis en het eeuwige leven, dat ons door Jezus gebracht is? Natuurlijk moeten we niet roekeloos zijn en iedereen maar blootstellen aan gevaarlijke virussen. We némen ook maatregelen die de risico’s indammen. Maar alle maatregelen die je neemt helpen slechts -tot op zekere hoogte-. De enige manier om helemaal zeker te weten dat je geen virus zult oplopen is door jezelf op te sluiten in een glazen kooi en dan nog; vooral niet te ademen. Liggen alle risico’s van ons leven voor een deel niet ook in Gods hand? Ligt daar niet juist de kern van ons gebed? Dat wij, in alle ups en downs, in al onze wederwaardigheden en ook in alles wat ons bedreigt, God blijven zoeken, omdat Hij de Enige is die ons nooit in de steek laat? En nu gaan we dat verbieden? Nee, zullen velen zeggen, we verbieden je niet om God te zoeken, we verbieden om openbare Eucharistievieringen te houden.  

Oké, maar nu heb je priesters voor wie de Eucharistie ècht is wat ze ook volgens de Kerk zelf is; bron en hoogtepunt in de ontmoeting met God. En nu heb je een priester voor wie de Eucharistie, dat geneesmiddel tegen alle angsten, dagelijkse noodzaak is; kun je hem dat dan verbieden? Een priester is gewijd om de mensen te dienen door vóór te gaan in Godsvertrouwen, juist in tijden van nood. Moet hij zich nu dan laten bepalen door risico-analyses? Laat hem de mis doen als hij dat wil. Laat hem doorgaan met “getuigen van de hoop die in hem leeft”; zoals de apostel Petrus zegt. Niemand wordt gedwongen om te geloven zoals wij. Maar net zo goed mag niemand ons dwingen om ons geloof te verloochenen. Niemand móét naar de missen toekomen die wij opdragen. We luiden ook geen klokken, we roepen niemand op om te komen. Wij respecteren het volledig als mensen het advies van de regering opvolgen en thuisblijven. Iedereen mag en moet zijn of haar eigen geweten volgen, maar deze priester, wij ook! En zijn geweten zegt dat hij door moet gaan. En zijn geweten zegt dat hij dat wil doen met in acht name van alle redelijke risico-mijdende maatregelen. God zij dank; dat er zulke priesters zijn.

Oké, zegt men, laat die priester dan maar zijn mis opdragen, maar niet met mensen erbij. In zijn eentje voor de live-stream, dat is toch ook goed? De livestream is niet goed. Het is beter dan niks, dat wel. Maar het is een noodoplossing en het blijft een slap aftreksel van daadwerkelijke deelname. “Want”, zoals mgr. Mutsaerts zo mooi zei; “Je kunt je niet warmen aan de foto van een kachel”. En dus; als er mensen zijn, voor wie de daadwerkelijke ontmoeting met Christus in de Eucharistie óók sterker weegt dan angst voor eventuele besmetting, kun je die dan wèl verbieden om erbij te zijn, als de priester de mis opdraagt? Dan zou je je schuldig maken aan klasse-discriminatie; Hij, de “belangrijke” priester wel, maar de “gewone” gelovige niet? Dat kan toch niet!

Lieve mensen, het is geen kleinigheidje, niet zomaar een beetje binnen-kerkelijk gesteggel, waar we het hier over hebben. Het gaat hier over de kern van ons geloof, de hele zin van het christendom. Het gaat hier over de vrijheid van geweten, over de plaats van God in het leven van iedere unieke mens. Over de hoogmoed misschien, van de mens die meent dat hij met zijn eigen maatregelen ooit wel sterker zal zijn dan God. Nogmaals, ik bedoel niet dat we alle voorzichtigheid moeten laten varen. Maar als God het wil, stort morgen de zon op de aarde en dan houden wij dat niet tegen. Als God het wil, worden wij gauw verlost van dat verschrikkelijke virus. Als God het wil, zullen wij leven, zelfs al zijn wij gestorven.

Amen.

18 April 2020

Zien om te geloven? 2e Zondag van Pasen. 2020

Hand. 2, 42-47, Petr. 1. 1,3-9, Joh. 20, 19-31.

Vandaag is het de 2e zondag van Pasen, Beloken Pasen, ofwel sinds het jaar 2000 zondag van de Goddelijke Barmhartigheid. Het woord “beloken” heeft te maken met afsluiten en dat is nog goed te herkennen aan het Engelse “to lock”. “To lock down”; zouden we vandaag zeggen.  Na het paasoctaaf, na acht dagen, wordt de paastijd feestelijk afgesloten. Dat wil zeggen, de kerkelijke Paasliturgie wordt na acht dagen afgesloten, want de vreugde van de verrijzenis wordt natuurlijk nooit meer afgesloten. En dan, de dagen na Pasen, lezen we in de Schrift over hoe het allemaal verder ging; de verschijningen van de verrezene, de vreugde maar ook het ongeloof. Het zoeken en tasten van de ontredderde apostelen over wat nu te doen. We lezen over het succes van de jonge Kerk en over de vastberaden geest van de mannen die Jezus zelf gekend hadden. En zo lezen we ook weer dat verhaal van de ongelovige Thomas; een klassieker die elk jaar terugkomt op de zondag na Pasen. En dat is niet voor niets. Want hoe vanzelfsprekend we het ook allemaal uitspreken of soms ook opdreunen; “Ik geloof in God de Almachtige Vader, Schepper van hemel en aarde”, voor velen is het helemaal niet zo gemakkelijk om daar ook echt in te geloven. Voor iemand die echt gelooft dat God altijd redding brengt, is het onmogelijk om lichtgeraakt te zijn, egoïstisch, bang of wanhopig. En hoe zit dat bij ieder van ons? Nee, enkel zeggen dat de Heer is opgestaan en dat Hij in ons midden is in de Eucharistie is niet genoeg om iemand te overtuigen van de waarde van ons geloof.  Om tot geloof te komen hebben de meesten van ons het toch nodig, om, net als Thomas, iets zien. En dan ben ik soms weleens jaloers op de tijd rond Jezus, toen er kennelijk van alles te zien was; blinden die gingen zien, lammen die gingen lopen, zelfs doden die tot leven gewekt werden. Zelf heb ik nog nooit iets gezien dat ik als een wonder zou omschrijven. Tenzij ik naar de Schepping kijk als één groot wonder; want dat is het natuurlijk wel. Maar iets als een wonder zoals in het Evangelie, dat heb ik nog nooit gezien. Ikzelf ben dan ook niet zozeer tot geloof gekomen door mensen die mij nog maar eens inpeperden dat de Heer verrezen is, maar door mensen die me iets lieten zien.  Allereerst is daar mijn moeder. Wat zag ik dan aan haar? Dat ze intens-trouw was aan de kerk en dat ze er veel voor over had om ons die trouw bij te brengen. Ze wist het dan allemaal niet zo in woorden uit te drukken, maar de kerk was haar heilig, dat was in elk geval duidelijk. Mijn moeder sloeg nooit, maar toen ik mij, in mijn recalcitrante jaren, een keer laatdunkend uitliet over de paus had ik zomaar een draai om mijn oren van haar te pakken. Vervolgens is daar mijn oudste zus, inmiddels overleden, maar destijds wonend in een religieuze gemeenschap; een beetje in de zin van de eerste lezing; mensen die samen leven en delen, op grond van het Evangelie. Hun manier van samen leven en delen maakte mij nieuwsgierig en leidde rechtstreeks naar hun bron; Jezus Christus. Ja en later heb ik mensen zien sterven in een sfeer van volledige overgave; zo, dat ik ook echt kon zien aan deze mensen dat zij zelfs met de dood voor ogen op God bleven vertrouwen, dat geloof dus iets is waar je echt beter, of sterker van wordt. Natuurlijk is er vanuit de verrezen Heer oneindig veel goeds gebeurd in de wereld. Maar ik spreek even over dingen die ik zelf gezien heb. U kunt dat wellicht aanvullen met uw eigen voorbeelden.

Maar als het op “zien” aankomt dan is het dus begonnen bij de apostelen, zoals we net hoorden in de eerste lezing.Jezus zendt de apostelen uit over de wereld om Zijn werk voort te zetten en bij hen moeten we dan ook zijn om te zien wat ons te doen staat. De drie grondtaken van de Kerk zijn, zoals paus Benedictus daarover sprak; God eren, zorg dragen voor de armen en evangeliseren. En deze drie zijn feilloos terug te zien in de eerste lezing. Luister maar. 

“De eerste christenen legden zich ernstig toe op de leer van de apostelen”; Evangeliseren

“Zij bleven trouw aan het gemeenschappelijk leven”; zorg dragen voor elkaar en voor de armen.

“Zij waren ijverig in het breken van het brood en in het gebed”; God eren.

En als vrucht van deze levenswijze horen we dat “de Heer er elke dag meer bijeenbracht, die gered zouden worden”. 

Nog even terug naar Thomas; die vraag om iets te zien is echt zo verkeerd niet. Het zijn twee kanten van de medaille; kunnen geloven zonder zelf te zien, is goed. Maar verlangen, of zelfs eisen dat er ook iets zichtbaar wordt van dat gelovige leven dat is ook heel goed. Wij mogen, wij moeten dit leven serieus nemen. Geloof kan geen gemakkelijk “doekje voor het bloeden” zijn. Ook geen individualistisch “het goed hebben met God”. Wij mogen lijden, ziekte en dood in dit leven niet te gemakkelijk wegpoetsen. Maar we moeten wel, met Thomas, verder willen kijken, goed kijken, om tenslotte te kunnen zeggen “Mijn Heer en Mijn God”. Want dat is een saillant detail in dit hele verhaal. Deze Thomas, hoewel hij ongelovig genoemd wordt, is wel mooi de eerste en de enige in het hele Johannesevangelie, die ervan getuigt dat Jezus God Zelf is. En daarom is er ook altijd hoop voor ieder van ons; Als we misschien denken dat ons geloof tekort schiet; we mògen onderweg zijn. We mogen best vragen om iets te zien van een levend geloof. Maar even sterk is de oproep aan degenen die wèl het geloof denken te hebben; dat zij het dan in hun doen en laten zichtbaar maken, zodat "de Heer er elke dag meer bijeen kan brengen, die gered worden".   

Amen.