Ez. 18,25-28 Fil. 2,1-11, Mt. 21,28-32
Vorige week heb ik al gezegd dat de parabels die Jezus vertelt soms zo duidelijk zijn, dat het aanmatigend lijkt om er iets aan toe te willen voegen. Was dat vorige week al zo, deze week is het nog véél duidelijker.
Volkomen helder is het dat je niets hebt aan iemand die “ja” zegt, maar “nee” doet. Ook God heeft niets aan mensen met mooie beloften alleen. Dus; nòg een kortere preek dan vorige week zult u wellicht denken.
Ik geloof dat hij van monseigneur Mutsaerts is, maar op de klacht van mensen, dat de Bijbel zo moeilijk te begrijpen is, zou hij geantwoord hebben; “Nou, als we eens beginnen met te doen wat we allemaal wel begrijpen, dan zouden we al een heel end zijn”.
Want laten we eerlijk zijn, hoe moeilijk is het niet voor ieder van ons om datgene te doen wat we eigenlijk heel goed weten dat we zouden moeten doen? Ach, en wie van ons heeft dan recht van spreken? Het is zo gemakkelijk om vanaf de preekstoel te gaan zeggen wat u moet doen. Maar hoe doe ik dat dan zelf?
Ik ga hier geen openbare biecht houden, maar van alle mooie woorden en goede raad, die ik voor u in petto heb vanuit het Evangelie; wat breng ik daar zelf van terecht? Dus wat kan ik nog zeggen? Het is niet de eerste keer dat ik tegen dat probleem aanloop. Ik heb het eens aan mijn oud-pastoor Ponsioen in Uden voorgelegd en hij antwoordde als volgt; “Ook al weet je dat je zelf niet in staat bent om alle christelijke deugden in praktijk te brengen, dan wil dat nog niet zeggen dat je er niet over mag spreken”. En dat is natuurlijk ook zo. Als alleen heiligen iets mogen zeggen, dan moeten we allemaal onze mond houden.
Goed, laten we dan verder kijken naar de lezingen van vandaag. De eerste lezing is er een uit het boek Ezechiël, een boek waaruit we niet vaak lezen. Ezechiël is een profeet uit de tijd dat het joodse volk in ballingschap was. “Het joodse volk” zullen sommigen misschien nog denken, “wat hebben wij daarmee?”
Maar wij hebben alles met het joodse volk! Het is in zekere zin onze moeder. Maria was joods. Jezus is geboren als jood en later heeft Hij gezegd dat er geen letter of jota veranderd mag worden aan de joodse wet. Met andere woorden; Jezus identificeert zich volkomen met het jodendom. “Alleen”, zo zegt Hij,
“Ik ben niet gekomen om de wet op te heffen maar om hem te vervullen”. Met andere woorden; Jezus preekt niet alleen over de mooie inzichten van het jodendom, maar Hij dóét ze radicaal. En dat is waarom wij niet de joodse wet aanhangen, maar Jezus Christus. Hij is veel meer dan wet en profeten. Hij is de vervulling ervan. Maar daarmee is ook gezegd dat het wel degelijk goed is om het jodendom in ere te houden en er ook van te leren waar mogelijk. Christus begrijpen gaat veel beter naarmate men ook het jodendom begrijpt. Vandaar dus dat we de lezingen, uit wat men noemt -het oude- testament, opnemen in de liturgie van het christendom. Ezechieël nu, is een man die in het diepste duister van het gelovige jodendom, de Babylonische ballingschap, is blijven getuigen van de aanwezigheid van God. “Ja”, zei hij, “het hart van ons geloof, de tempel in Jerusalem zal verwoest worden, maar er zal ook een nieuw begin komen". Ezechieël kende God als een nabije God, Die zijn belofte, gedaan aan de aartsvader Abraham, niet zal breken, Die dus Zijn volk nooit in de steek zal laten. In die zin zie ik wel overeenkomsten met onze tijd. Want terwijl enerzijds de Kerk steeds verder in het moeras van een onverschillige samenleving lijkt weg te zakken, -de ene na de andere kerk wordt gesloopt, of omgedoopt tot monument-, ben ik, en zijn sommigen met mij, er diep van overtuigd dat de Kerk nooit teloor zal gaan. Dat kàn eenvoudigweg niet omdat midden onder ons Iemand staat die een antwoord geeft op de grootste vraag die de mensheid zich stelt; Wat met de dood? En daaraan gerelateerd; Wat is dan de zin van mijn leven? Aangezien geen mens kan ontkomen aan die vraag, aangezien iedere mens dus vroeg of laat bij Jezus Christus uit móét komen, -omdat Hij het enige antwoord is-, zal de Kerk tenslotte onverwoestbaar blijken. Oh jawel, er zullen zeker nog wel een aantal gebouwen verdwijnen, maar het hart blijft altijd bestaan.
Waar gaat het over in het korte stukje dat we lezen uit Ezechiël? Het gaat over het thema van individuele keuze en verantwoordelijkheid. Er waren joodse stromingen die ervan uit gingen dat je leven volledig bepaald is door je ouders en voorouders. Dat ouders bestraft worden voor eventuele misstappen van hun kinderen. “De vaders hebben zure druiven gegeten en de tanden van de kinderen zijn er stroef van”;
dat zijn de poëtische woorden uit de schrift, die Ezechiël heftig bestrijdt.
Natuurlijk hebben je ouders en voorouders te maken met wie jij geworden bent. Natuurlijk nemen je kinderen iets over van jouw manier van doen, goed en slecht. Maar “Nee”, zegt Ezechiël, “ook al is het zo dat je deels gevormd wordt door je ouders, iedere mens heeft een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om de keuze goed of kwaad te doen”. Omstandigheden spelen een rol maar je mag je er niet achter verstoppen.
De tweede lezing uit de brief van Paulus aan de Fillipenzen lijkt me ook klare taal. God zal beter herkenbaar worden in de wereld, naarmate wij als Zijn Kerk, samen zichtbaar maken wat Paulus daar voor ogen heeft.
Samengevat; de gezindheid moet onder ons heersen welke in Christus Jezus was. Laten we daar van harte om bidden. Amen.
Jes. 55,6-9, Fil. 1,20c-24.27a Mt. 20,1-16a
Zijt Gij kwaad omdat Ik goed ben……“Zijt Gij kwaad omdat Ik goed ben”, meer dan die paar woorden hoeven we eigenlijk voor de rest van de week niet te onthouden. “Zijt Gij kwaad omdat Ik goed ben”. Als wij met dat zinnetje leven dan zijn wij in een klap verlost van meer dan de helft van onze ruzies en zelfs van oorlogen. Want hoeveel ruzies ontstaan er niet doordat wij onszelf tekort gedaan voelen? Vaak ten onrechte. Altijd maar vergelijkend met wat een ander heeft of wat een ander kan. En juist in dat verschrikkelijke vergelijken, dat meten van waarden; geld, succes, populariteit, waartoe wij zo’n sterke neiging hebben, dáár begint de jaloezie, de roddel, de wrok en de ruzie. Wij kunnen het maar zo moeilijk doen met wat God ons geven wil. Vooral niet als we zien dat iemand anders op een bepaald vlak meer heeft dan wij. Altijd maar hameren op onze rechten, onze verworvenheden; dat we eigenlijk toch wel meer of beter verdienen dan die of die. En wat een prachtig verhaal van Jezus, om ons haarfijn te confronteren met die onhebbelijkheid. Het heet niet voor niets “Woord van God”. “Zijt gij kwaad omdat Ik goed ben”. God wil iedereen geven wat hij of zij nodig heeft om te leven, en wie van ons mag daar iets tegenin brengen? Ik heb nog een paar minuten over voor deze preek, maar Jezus gebruikt een parabel om iets duidelijk te maken. En is het niet een beetje aanmatigend om dan nog eens te gaan uitleggen, wat Jezus zelf al zo duidelijk zegt? Misschien doen we er daarom het beste aan om de laatste zes zinnetjes van het Evangelie nog eens over te lezen. Die spreken volgens mij duidelijker taal dan wat ik er over zou kunnen zeggen.
Of toch nog een kleine aanvulling. Ik heb mijn vrouw gezegd dat ik vandaag wel een hele korte preek heb, omdat het Evangelie van zichzelf zo overduidelijk is. Maar daarop ontstond toch een hele discussie. Mijn vrouw nam het op voor de mopperende werkers van het eerste uur. Ze snapte wel dat zij toch ontevreden waren, want zo gemakkelijk is dat niet, dat omdenken; dat hen toch geen onrecht was aangedaan en dat ze toch gekregen hadden wat er afgesproken was. En natuurlijk, dat is ook zo. Gemakkelijk is het misschien niet, maar wel heel erg de moeite waard. Want als je het kunt, werkt het enorm bevrijdend; Dat je zo op God mag vertrouwen dat Hij je zal geven wat je nodig hebt en dat je ook niet méér hoeft te willen hebben of te zijn dan wat Hij jou geeft. Amen.
“Zijt Gij kwaad omdat Ik goed ben.....? ”, meer dan die paar woorden hoeven we voor de rest van de week niet te onthouden. “Zijt Gij kwaad omdat Ik goed ben”. Als wij met dat zinnetje leven dan zijn wij in een klap verlost van meer dan de helft van onze ruzies en zelfs van oorlogen. Want hoeveel ruzies ontstaan er niet doordat wij onszelf ten onrechte tekort gedaan voelen? Altijd maar vergelijkend met wat een ander heeft of wat een ander kan. En juist in dat verschrikkelijke vergelijken, dat meten van waarden; geld, succes, populariteit, wat wij alsmaar blijven doen, daar begint de jaloezie, de roddel, de wrok en de ruzie. Wij kunnen het maar zo moeilijk doen met wat God ons wil geven. Vooral niet als we zien dat iemand anders op een bepaald vlak meer heeft. Altijd maar hameren op onze rechten, onze verworvenheden; dat we eigenlijk toch wel meer of beter verdienen dan die of die. En wat een prachtig verhaal van Jezus, om ons haarfijn te confronteren met die onhebbelijkheid. Het heet niet voor niets “Woord van God”. “Zijt gij kwaad omdat Ik goed ben”. God wil iedereen geven wat hij of zij nodig heeft en wie van ons mag daar iets tegenin brengen? Ik heb nog een paar minuten over voor deze preek, maar ik zou zeggen; lees in stilte de laatste zes zinnetjes van het Evangelie maar over. Daar hebt u wellicht meer aan dan aan wat ik nog te vertellen zou hebben.
Of toch nog een kleine aanvulling. Ik heb mijn vrouw gezegd dat ik de kortste preek ooit had en daarop ontstond een hele discussie. Mijn vrouw nam het op voor de mopperende werkers van het eerste uur. Ze snapte wel dat zij toch ontevreden waren, want zo gemakkelijk is dat niet, dat om-denken; dat ze toch gekregen hadden wat afgesproken was. En natuurlijk, daar heeft ze ook gelijk in, gemakkelijk is het zeker niet, maar als je het kunt, werkt het wel enorm bevrijdend; Dat je zo op God kunt vertrouwen dat Hij je altijd geeft wat je nodig hebt en dat je niet méér hoeft te willen of te zijn dan dat Hij jou geven wil. Amen.
23e zondag door het jaar A Ez. 33,7-9, Rom. 13,8-10, Mt. 18,15-20
Vandaag krijgen we hele concrete praktijkles van Jezus. Met een plechtig woord gaat het over “broederlijke vermaning”. In taal van vandaag; elkaar aanspreken op verkeerd gedrag, elkaar op het rechte spoor houden. En daarmee ligt er meteen een flink probleem op tafel. Enerzijds hebben we allemaal zo iets van; ‘Wie ben ik om een ander tot de orde te roepen? Iedereen moet maar doen wat hij of zij het beste vind’? En aan de andere kant; hoe moeilijk is het niet voor ieder van ons om ons iets te laten gezeggen door een ander? We bedoelen het allemaal goed. Waar zouden we het recht trouwens vandaan halen om elkaar iets te zeggen? Het is nog eens ook onchristelijk ook. Jezus zegt het duidelijk; “oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden?” Vandaag de dag is het ongeveer het meest negatieve wat je kunt doen; oordelen, of “discrimineren” heet het al gauw. Terwijl discrimineren letterlijk niet meer betekent dan; verschillen benoemen. En inderdaad; onze samenleving is bijna zo ver dat je een man geen man meer mag noemen en een vrouw geen vrouw. Maar als wij mensen samen willen leven -en we kunnen niet anders- dan zullen we elkaar op het rechte spoor moeten houden. Niet elkaar veroordelen, niet afschrijven, maar aanspreken.
De Bijbel is daar glashelder over en niet met de meest voorzichtige woorden. "Als gij de boosdoener niet waarschuwt voor zijn gedrag dan sterft die boosdoener wel om eigen schuld, maar dan kom Ik zijn bloed van u opeisen”; horen we Ezechiël in de eerste lezing zeggen. In het volk van God is het dus zo, dat als wij elkaar niet op het rechte pad houden, dat we dan medeschuldig zijn aan het verloren lopen van de ander, net zo goed als dat we hem laten omkomen van de honger. Wij gedoopte mensen zijn gemeenschap in Christus, wij hebben elkaar nodig, wij moeten elkaar vasthouden, bemoedigen, helpen, maar ook de waarheid zeggen als dat nodig is. Niet met de bedoeling elkaar te beschadigen, maar om elkaar bij de les te houden. Maar wat is die les? Wat is het rechte pad? Wat is de waarheid? Wat weet ik daarvan? Goed en kwaad zijn in een samenleving waaruit de ene God aan het verdwijnen is een kwestie van “eigen mening of eigen gevoel” geworden. En als er geen gezamenlijk erkende waarheid is, dan heeft iedereen gelijk. De een haalt dat gelijk met slimmigheden, de ander met bruut geweld, maar het is allebei even verkeerd. De waarheid over goed en kwaad is niet te vinden in onze eigen mening, maar als het goed is zoeken wij de waarheid bij God die van ons houdt. God die ons vraagt niet enkel voor onszelf te leven, maar samen te leven in Zijn Naam. Die ons ook een weg wijst naar dat samen leven; met de Tien Geboden, met het voorbeeld van Christus en in Zijn voetspoor, met de leer van de Kerk.
Of het nuttig is om elkaar op het goede pad te houden, dat lijkt wel duidelijk, maar hoe doe je dat dan? Daar geeft Jezus zelf in het Evangelie een helder antwoord op. Het zal niet voor de eerste keer zijn dat u het hoort, het is geen revolutionair nieuws, maar het probleem is zo hardnekkig dat het goed is om er weer eens bij stil te staan. “Als je broeder gezondigd heeft wijs hem dan onder vier ogen terecht”. -Onder vier ogen- Niet onder de ogen van de hele wereld. Zo helder, zo simpel, maar kennelijk zo moeilijk. Want hoe doen wij dat meestal? Heel vaak is degene die het aangaat juist de laatste die we aanspreken. Veel liever klagen we bij iemand anders onze nood. Of we sturen een boze e-mail of tweet. Veel gemakkelijker is dat ook. Natuurlijk is het veel moeilijker om de persoon in kwestie onder vier ogen aan te spreken. Maar hoeveel beter, constructiever en mooier is het niet, om de hele wereld er buiten te laten en je medemens de kans te geven zonder gezichtsverlies bij te draaien. Doe het uit zorg voor de persoon, uit liefde voor je medeschepsel. Als het je op die manier lukt dan heb je pas echt vooruitgang gemaakt. Maar Jezus is realistisch. Hij weet dat het niet altijd werkt. “Pas als het niet werkt, haal er dan een ander bij”. zegt Hij. Samen kunnen ze proberen het probleem aan te pakken. Niet met de hele wereld. Misschien hebben zij wèl het effect dat jij in je eentje niet had. “Als dat ook niet werkt, haal er dan de Kerk maar bij”; zegt Jezus. Wij moeten ons wel even voorstellen wat Jezus in de eerste eeuw met de Kerk bedoelde. Niet de website van de parochie, geen wereldwijde gemeenschap van een miljard mensen, maar een kleine groep oprechte christenen; dat was –de Kerk-. Zij moeten een laatste poging doen om de zondaar te laten omkeren, en als ook dat niet lukt, zegt Jezus, beschouw hem dan als een heiden of een tollenaar. “Hè, hè dan zijn we eindelijk van hem af”, zouden we gemakshalve kunnen denken. Maar toch; Halen wij ons even in herinnering hoe Jezus zelf omging met tollenaars en zondaars.Geen mens afschrijven, nooit en te nimmer!Blijven hopen, blijven bidden voor de afgedwaalde.
Bijna 25 jaar ben ik diaken en al die tijd heb ik jonge mensen mogen voorbereiden op het doopsel van hun kindjes. Voor het grootste deel waren het allemaal lieve jonge mensen, die echt het beste voor hadden met hun kindje en met hun leven. Daarom ook komen ze om het doopsel vragen; zij weten dat God een veilige haven is. Maar wat mij in verreweg de meeste gevallen bevreemd heeft, is dat vrijwel géén van die ouders een levende relatie met Christus en de Kerk onderhoudt. O ja, sommigen steken wel eens een kaarsje aan, of gaan naar een mis waarin opa of oma herdacht wordt, maar zelf Christus zoeken in de Eucharistie? Dat doen ze alleen als ze er zin in hebben en dat moeten ze toch ook zelf weten? Hoe ze hun leven invullen, dat moeten ze zelf weten! Wel of niet trouwen, dat moeten ze zelf weten! Het zijn wellicht niet de boosdoeners waar Ezechiel het over heeft, maar om in zijn termen te spreken wil ik toch voorkomen dat God mijn bloed komt opeisen omdat ik verzaakt zou hebben deze jonge mensen te wijzen op de waarheid in Christus. Een medaille heeft twee kanten, ook die van het doopsel. Aan de ene kant is er de overvloedige genade van God, die elke zondaar in zijn armen wil nemen. Aan de andere kant is er de noodzaak voor de mens om de relatie met God te onderhouden.
“Werken is ook bidden”, met die smoes zijn veel mensen in de 60-er jaren thuis gebleven. Vandaag zou ik willen zeggen; “Bidden is ook werken". Laten we dat dus blijven doen. Zo samen bidden dat God in Zijn Kerk zichtbaar wordt. Amen.
Jes., 22, 19-23 Rom.,11, 33-36 Mt., 16, 13-20
Het schijnt dat er in Amerika momenteel een bisschop is die zijn priesters bestraft als ze langer dan vijf minuten preken. Van mijn eerste pastoor, in Uden, heb ik geleerd om het bij zeven minuten te houden. Maar als ik soms opvang wat mensen vandaag de dag van ons geloof weten, dan denk ik dat je heel wat meer tijd nodig hebt. Anderzijds; het gaat niet per sé om –veel weten-, het gaat er om; dat je kunt leven vanuit geloof, leven in vertrouwen op God.
Als je vandaag naar de eerste lezing kijkt, dan hoort er toch een praatje bij om een beetje snappen waar het over gaat. Het begint met een koning, Shebna, die zomaar ineens uit zijn ambt wordt gegooid. Waarom? Waarom worden de sleutels van Gods huis, schijnbaar ineens, overgedragen op Eljakim? Een paar regels eerder in dat verhaal van Jesaja lezen we over de oorzaak; deze koning Shebna laat zich een groot praalgraf uithouwen, boven op een berg. M.a.w. Shebna is bezig om een monument op te richten, waarmee hij ook na zijn dood, vanaf de hoogte nog indruk kan maken. En dat is in Gods ogen een grof misbruik van de macht die Hij Shebna gegeven had. Hij moet de macht die hij gekregen heeft niet gebruiken tot eigen eer en glorie, maar om het Godsvolk te leiden. En daarmee zitten we meteen in een morele kwestie, die niets aan actualiteit heeft ingeboet. Want veel of weinig, maar allemaal hebben we in zekere zin een beetje macht van God gekregen. De vraag is wat we daarmee doen. Gebruiken we die macht vooral tot eigen eer en glorie, of proberen we die macht in te zetten voor het heil van onze medemens. Dat geldt niet alleen voor regeringsleiders, pastoors of bisschoppen;dat geldt voor ieder van ons. Vaders, moeders, rijken, geleerden, allemaal hebben we een beetje macht. Iedereen heeft wel iemand in zijn omgeving die in zekere zin afhankelijk van hem of haar is.
Het Evangelie past er vandaag goed bij want ook daar gaat het om macht die overgedragen wordt van de een op de ander. Deze keer van Jezus op Petrus. Maar het begint bij die indringende vraag van Jezus; “Wie zeggen de mensen dat ik ben?" Jezus vraagt dat niet met bedoeling om bevestigd of bejubeld te worden. Hij vraagt het met het oog op Zijn naderende einde. Volgende week zullen we horen hoe Hij dat einde aankondigt. Maar voordat Jezus die weg naar Jerusalem inslaat wil Hij weten of de missie, die Hij heeft van Godswege, begrepen wordt door de mensen die Hem het beste kennen. “Wie zeg jij dat ik ben?” Het is natuurlijk ook een hele belangrijke vraag aan ieder van ons. Wie is Jezus voor jou? Voor mij?
In het Evangelie zien we een soort tegenstelling tussen wat de mensen zeggen en wat Petrus zegt. De mensen van de wereld komen niet verder dan wat ze al kennen. Zij kijken met wereldse ogen naar Jezus en zien iets van vlees en bloed, een profeet, iemand als Johannes de Doper misschien? Ze zien een merkwaardige mens in Hem, een bijzondere mens misschien, maar wel gewoon een mens. Grote groepen mensen, ook katholieken vandaag komen niet verder dan dat. -Jezus; "unne goeie mens" en een goed voorbeeld-. Maar dan het antwoord van Petrus; “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God’. Petrus ziet niet met de ogen van de wereld, -of zoals Jezus het zegt-, “niet vlees en bloed hebben het u geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is”. Niet met natuurlijke vermogens, niet door een sterke wil of een goed verstand is het dat Petrus Jezus in Zijn wezen kent, maar vanuit een gelovige openheid. Want alleen daarin kan de Vader iets laten zien. Petrus ziet het dus; “Hier is meer dan een belangrijk profeet! Dit is God zelf, die in de wereld is gekomen”. Het verschil tussen enerzijds het wat oppervlakkige begrip van de mensen en anderzijds het geloof van Petrus is er vandaag nog steeds. Mensen vergelijken Jezus vandaag niet meer met Elia of Jeremia of Johannes de Doper, maar ze noemen hem wel in één naam met de belangwekkende figuren uit onze tijd; Boeddha, Mohammed, Gandi of de Dalai Lama. Jezus wordt daarmee op gelijke voet gezet met andere, weliswaar bijzondere mensen; maar Hij is en blijft een gewone mens zoals zij. Petrus, en met hem onze hele Kerk belijdt toch echt iets anders; “Gij zijt de Christus, de zoon van de levende God”. En daarmee is Jezus oneindig ver verheven boven alle andere stichters van godsdiensten, bewegingen en filosofische stromingen. “Gij alleen de allerhoogste”, zingen wij in het Gloria. Dat zingen we niet alleen omdat het lied nou eenmaal zo is, we menen ook dat het zo is; Want Hij is de Allerhoogste. Dat in Jezus, God zelf onder ons gekomen is, dat is het hoogste goed dat de mensheid kon overkomen en het is de hoeksteen en het fundament van het christelijk geloof. Voor veel mensen is dat exclusieve -Jezus boven alles- stellen, onverteerbaar. Dat was in Jezus tijd al zo, -daarom hebben ze Hem ook vermoord-, en het is nog steeds zo. Voor veel mensen moet Jezus een gewone mens blijven, of een buitengewone, maar dat Hij de ene, ware God vertegenwoordigt, dat is hen al te machtig. Maar al zijn er in de wereld inderdaad nog zoveel andere lichtpuntjes; er is maar één zon en die staat daar...
Jezus tenslotte draagt de macht over op Petrus en op de Kerk. Maar wat is dat voor macht? Bij die vraag tuimelen wij bijna als vanzelfsprekend in dezelfde valkuil. “De paus en de bisschoppen zijn de baas”. Was Jezus dan de baas? Ja, op een bepaalde manier was Hij de baas; "Hij alleen de allerhoogste". Maar zie hoe Hij dan “baas” is geworden, stervend aan een kruis, voor ons; zeker geen macht, zoals wij mensen ons dat voorstellen. Geen macht om mensen naar Zijn pijpen te laten dansen, maar uiteindelijk toch macht. Macht over de dood. En in die macht mogen wij delen.
In de Eucharistie worden wij uitgenodigd tot eenheid met Hem die machtiger is dan de dood. Eén in lijden, één in sterven, één in de dood, maar bovenal, één in eeuwig leven bij God. Mogen niet vlees en bloed ons zicht daarop verduisteren, maar moge de Vader die in de hemel is, onze ogen daartoe openen. Amen.