Onlangs ontvingen wij de negende uitgave uit de serie “bemoedigende woorden” die onze bisschop rondstuurt sinds de uitbraak van de coronacrisis. Deze laatste brief was voor mij echter verre van bemoedigend. Toevallig had ik net de dag ervoor een doktersassistente weten te overtuigen van het belang van het sacrale in de katholieke Kerk en dat je daar dus niet zomaar van alles kunt doen, zoals bijvoorbeeld coronavaccinaties als het niet per sé noodzakelijk is. Ze luisterde zeer geboeid en zei op het eind; “Daar zit wat in, maar zoiets hoor je toch nergens meer”. De volgende dag krijg ik dan dat "bemoedigend schrijven" waarin de bisschop Christus voorstelt als geneesheer en dat het derhalve juist heel goed is om Gods huis open te stellen voor de massale vaccinatiecampagne die momenteel gaande is. “Dan komen we als Kerk ook eens een keer op een positieve manier in het nieuws”; zo zal hij gedacht hebben. Daar valt natuurlijk voor een eenvoudige diaken niet meer tegenop te praten.
Laat ik voorop stellen dat Gods huis inderdaad een veilig toevluchtsoord moet kunnen zijn in geval van calamiteiten, daar waar acute zorg geboden is, maar daarvan is bij deze campagne helemaal geen sprake. In de meeste gevallen is het gewoon het gemakkelijkst. Kerken staan toch leeg (zeker nu de bisschoppen ons bijna verboden hebben om te vieren), dus waarom niet? Maar kerken staan helemaal niet leeg! Ook al zijn er zelden of nooit vieringen; onze kerken zijn sacrale gebouwen waarin Christus woont en waarin Hij ook aanwezig is in het tabernakel! Het besef van “iets heiligs” is in onze samenleving al zover te zoeken. Moeten onze kerken, waarin juist dat heilige door de eeuwen heen zo zorgzaam gewaarborgd is gebleven, nu ook mee in de molen van de maakbaarheid?
Het is allemaal zo onwaarachtig. Christus als geneesheer? Ja, maar vooreerst als geneesheer van zondigheid. De Kerk als veldhospitaal? Ja, maar voor heel veel meer dan een oppervlakkige griepprik. Jezus heeft niemand genezen in de tempel en slechts een enkeling in de synagoge. Hij genas de mensen waar ze waren, thuis of onderweg of net waar Hij ze ontmoette. Hoe droevig dat onze bisschoppen in deze richting voortborduren want het zal tenslotte resulteren in totaal verlies van elk besef van het heilige. En dan mag je straks de coronacrisis onder de knie gekregen hebben, je hebt er de duivel mee losgelaten.
Nogmaals als het echt niet anders kan, dan moet de Kerk haar deur openen voor alles wat de mens dient, maar zolang er alternatieven zijn; “Maak dan van het huis van Mijn Vader toch geen markthal”.
Job 7,1-4.6-7, Ps. 147, 1 Kor. 9,16-19.22-23 Mc. 1,29-39.
De somberheid die vandaag spreekt uit het boek Job, lijkt veel op de krant van vandaag. Eén en al ellende; nog meer corona-zorgen lijken op ons af te komen, dreigende burn-out bij 80 procent van de jongeren, zedenmisdrijven alom, algoritmen die op een akelige manier grote bevolkingsgroepen beïnvloeden, klimaatproblemen, een overheid die op allerlei gebieden tekort lijkt te schieten, gemopper over het tempo en/of de manier van vaccineren en ga zo maar door. Onana de keeper van Ajax een heel jaar geschorst (al vind ik dat als Feyenoordsupporter natuurlijk niet zo heel erg). Een van de weinige dingen die de krant leuk noemt, is de komst van sneeuw en ijs. Maar ook daar zal niet iedereen even blij mee zijn.
En wat een gigantische sprong dan, van de laatste zin uit het boek Job; “Nooit meer zal mijn blik het goede aanschouwen” naar de eerste van de psalm: “Hoe goed is het te zingen voor onze God, hoe heerlijk Hem onze lof te brengen”. Het valt voor een gemiddeld mensenhart niet mee denk ik, om dat zomaar te voltrekken; om midden in de ellende, God lof te brengen. Ik weet niet hoe andere mensen dat doen, maar als ik niet zou blijven bidden, als ik bij alles wat er in onze wereld en in mijn eigen leven gebeurt, God los zou laten, dan zou ik misschien ook wel wanhopig worden. Dezelfde Job van de eerste lezing is mij daarin tot een krachtig voorbeeld. Want we lezen hier dan wel een stukje dat wanhoop ademt; als we het hele boek Job bezien dan is de conclusie juist tegenovergesteld; deze Job die zo veel harder geslagen wordt dan wij allemaal, hij blijft met God in gesprek, hij weigert Hem los te laten of af te vallen. Hij knokt zich dwars door alle ellende heen met als slotconclusie; “Alleen van horen zeggen kende ik U, nu heb ik U gezien met eigen ogen’. “Daarna leefde Job nog honderdveertig jaar”, zegt de Bijbel, “hij zag zijn kinderen en kleinkinderen tot in het vierde geslacht”.
Wat ik maar wil zeggen; Wij hebben het leven niet zelf in de hand. Wij zullen ons moeten blijven wenden tot God, die gaat over leven en dood. Wij zullen ons vertrouwen moeten blijven stellen op Hem, meer dan op onze eigen prestaties. Wij mogen met Hem meewerken, maar wij bepalen niet wat er gebeurt.
Vandaag mogen wij ook een dag mee optrekken in het leven van Jezus. Ook Hij bepaalde niet zelf wat er gebeurde maar Hij ging op een bijzondere manier om, met de gebeurtenissen in Zijn wereld. Het leed in de wereld laat Hem niet onberoerd, maar Hij laat zich er niet door bepalen. En dat, zo weten we, trekt Hij door tot in het uiterste; “Als het mogelijk is Vader, laat dan deze beker aan mij voorbij gaan”, maar ook “niet wat Ik wil, maar wat Gij wilt”; bidt Jezus in Zijn laatste uur in de Hof van Olijven. Jezus kan de dood niet voorkomen, maar Hij raakt er niet bezeten van.
Zoals we zien begint zo’n dag in het leven van Jezus met gebed. Hij komt immers recht uit de synagoge als Hij naar het huis van zijn beste vriend gaat. Daar wordt Hij meteen overvallen door een jobstijding. De schoonmoeder van Petrus is ernstig ziek. En hoewel het een sabbath is, redt Jezus de situatie door haar te genezen. Dat is Jezus ten voeten uit; onmiddellijk ingaan op de concrete nood van mensen. Niet eerst allerlei “Ja maars”; niet “wat zullen de Farizeëen van de wereld ervan denken?”; nee, gewoon aanpakken. En dat doet Hij verder een groot deel van de dag; “De hele stad dromde samen voor de deur”, staat er, “en Hij genas talloze zieken en dreef boze geesten uit”. Wie dus geen zorg heeft voor zijn naasten, wie zijn hart sluit voor zijn medemens in nood, wie niet deelneemt aan de leniging van vaak schijnende noden van ontelbare armen, onderdrukten, zieken en eenzamen, die kan zich moeilijk een volgeling van Jezus noemen. Dat sociale, helpende aspect van het ‘leerling zijn van Jezus’ is sinds de jaren zestig van de vorige eeuw echter zo benadrukt, dat het ten koste is gegaan van die andere dimensie die net zo belangrijk is; het gebed. Zowel het openbare gezamenlijke gebed, als het persoonlijk individuele. Gebed wordt tegenwoordig door velen beschouwd als een jammerlijk verlies aan tijd. Dure tijd, waarin je zoveel andere en betere dingen had kunnen doen. Maar als wij leerlingen van Jezus willen zijn, dan kijken we naar wat de meester doet. Hij begint de dag met gebed en Hij eindigt de dag met gebed. Ook al hoort Hij dat “iedereen Hem nodig heeft”. Ook al weet Hij dat Hij in die tijd nog zoveel meer goeds had kunnen doen. Sterker nog; Jezus gaat helemaal niet meer terug naar al die mensen die Hem zo hard nodig schijnen te hebben. Hij trekt juist verder, “naar alle andere dorpen en steden in de omtrek om ook daar te prediken”. Want dat prediken staat voorop. Het is in het kielzog van die prediking dat Hij de mensen geneest. De prediking van het Rijk Gods, daar gaat het om. Mensen tot geloof brengen, dat is de missie van Jezus; Geloof, of vertrouwen op God brengen. Vertrouwen dat Hij ons tenslotte overal doorheen helpt. Dat is Zijn prediking en dat is het voorbeeld dat Hij ons geeft met Zijn leven, met Zijn sterven en Zijn verrijzenis.
De problemen van dit ondermaanse zullen nooit helemaal opgelost worden. Maar wat telt is dat wij blijven geloven, dat wij ons geborgen weten in Hem die zoveel groter is dan corona en klimaat en alles waar wij ons zo druk om maken. Wel proberen zo goed mogelijk te zorgen, maar er niet bezeten van worden.
Amen.
Met de doop van de Heer, vorige week, hebben we de Kersttijd afgesloten. We zijn weer in het groen, dat betekent dat we in de gewone zondagen van het jaar zitten. Hoewel; “gewone zondagen” bestaan niet voor iemand die Eucharistie mag vieren en er de diepte van kent. Maar ook in andere zin bestaan gewone zondagen al bijna een heel jaar niet. We moeten alsmaar dat vervelende, saaie “afstand houden’, er valt zelfs geen normale verjaardag te vieren, onze jongeren lopen bijna tegen de muur op van verveling en uitzichtloosheid en de nieuwsberichten geven ook weinig aanleiding tot vrolijkheid. We zijn het corona-virus kennelijk nog lang niet de baas; integendeel, er komt misschien nog wel een grotere dreiging op ons af. Ondertussen ligt de grootste wereldmacht met zichzelf overhoop, en is ook onze eigen regering gevallen. Eerlijk gezegd verbaast het mij, en wij mogen daar best dankbaar voor zijn, maar het verbaast mij soms, dat de meesten van ons het, ondanks alles, toch nog zo goed hebben. De kachel brandt nog steeds en voor honger hoeven we ook niet direct te vrezen. Maar naast die materiële kant mogen wij ons toch vooral rijk prijzen met de notie van God die ons bijstaat. Want zoals paus Benedictus lang geleden al zei; “Als God niet voor je bestaat, dan ben je overgeleverd aan de elementen die je zelf moet zien te beheersen”. Zie daar de echte voedingsbodem voor angst en depressie. Want niemand kan zijn eigen leven maken, noch garanderen. Alle virologen, wetenschappers en politici ten spijt; tenslotte is er maar één veilige haven en die is hier te vinden. Niet per sé in dit gebouw, maar bij de persoon die wij vieren; Jezus Christus.
Als je de Schrift-teksten van vandaag met een nuchtere of kritische blik beschouwt, dan valt er amper een touw aan vast te knopen. Drie keer achter elkaar roept God Samuel aan en als hij eindelijk op de goede manier luistert, dan denk je: –nou heeft God zeker wel iets heel belangrijks te zeggen- maar dan zegt Hij niets. Had Hij het arme jong niet beter kunnen laten slapen? Het Evangelie is nog mysterieuzer. Hoe weet Johannes dat hier het “Lam Gods” voorbij gaat? En wat is dat überhaupt; het “Lam Gods?” We zitten nèt in het eerste hoofdstuk van Johannes, Jezus heeft nog helemaal niets bijzonders gedaan; hoe kan Johannes dan nu al weten dat Jezus het “Lam Gods” is? Vervolgens vragen de leerlingen om te mogen zien waar Jezus verblijf houdt. Worden wij, met hen, nieuwsgierig naar wat daar dan wel te zien zal zijn….. Maar…helemaal niks,….. lezen we daar over.
Een tijd geleden had ik contact met een oudere mevrouw die zich helemaal vast zat te bijten in de Bijbel en probeerde alles te begrijpen. Ik heb het haar ernstig afgeraden want als je alles wilt begrijpen wat in de Bijbel staat dan houdt je waarschijnlijk vooral veel hoofdpijn over. De grootste bijbelgeleerden hebben hun hele leven gestudeerd op één Bijbelboek en dan zijn ze het er nog lang niet over eens wat er nou precies staat en hoe dat in het Nederlands vertaald zou moeten worden. Kun je er dan niks mee? Ja natuurlijk wel. Kijken wij naar het stukje evangelie van vandaag dan komen wij daar zes keer het woord “zien” tegen en zes keer een vervoeging van het woord “gaan”. “Zien en gaan”. Die twee horen bij elkaar, zo zou je kunnen zeggen, als de hemel bij de aarde, als de zee bij het land, als de dag bij de nacht. Als wij “zien” dat God bij ons is, dan “gaan” we een stuk lichter door het leven. En dat is trouwens ook waar het hele Evangelie om draait. De Goede Boodschap gaat nergens anders over dan dat God zich geopenbaard heeft, zich zichtbaar gemaakt heeft aan ons mensen, opdat onze gang door het leven lichter zou worden. Of dat nou beschreven wordt in de mysterieuze woorden van Johannes, of door de wat nuchterder Marcus, maar dáár gaat het om; dat God zich zichtbaar heeft gemaakt onder de mensen.
En wat verder nog eenvoudig uit de lezingen is op te maken is dat mensen altijd weer geroepen worden. Drieduizend of misschien al vijfduizend jaar geleden Abraham en Samuel, tweeduizend jaar geleden de leerlingen rond Jezus en vandaag wij. Om te zien en te gaan. Om te zien, om in te zien, dat God ons draagt, om trouw te blijven aan het verbond dat Hij met ons gesloten heeft en om gaandeweg en op onze beurt te getuigen van Hem. Zó, dat komende generaties Hem ook kunnen kennen. Dat zij het lichte juk dat Hij hen oplegt op zich mogen nemen maar verder niet zo bang zijn.
De laatste woorden die in dit Evangelie zijn opgetekend over Johannes luiden: “Hij zag, en geloofde”. Wat zag Johannes dan? Hij zag eigenlijk niks. Ja, een leeg graf, dat zag hij. Maar in dat lege graf zag Hij de hand van God. Hij zag, hij geloofde en hij ging. Amen.
Openbaring des Heren Jes. 60,1-6, Ef. 3,2-3a.5-6 Mt. 2,1-12
Voor de oosterse christenen verloopt de openbaring van Jezus Christus, die we vandaag vieren, langs drie gebeurtenissen of feesten; Als eerste de erkenning van het Kind door de wijzen uit het oosten (wat we vandaag vieren), als tweede de doop van Jezus in de Jordaan en tenslotte Zijn eerste wonder; het wijnwonder op de bruiloft van Kana. Wij vieren vandaag de eerste van de drie, in de volksmond -3 koningen- genoemd. Het is een mooi verhaal dat door de eeuwen heen de fantasie behoorlijk geprikkeld heeft. Terwijl wij spreken over 3 koningen, wordt nergens in het Evangelie gezegd dat het er 3 waren. Evenmin dat het koningen waren. Ook hun drie namen Melchior, Caspar en Balthasar kom je in het Evangelie nergens tegen. Sommigen menen zelfs dat hun leeftijden ergens aan af te leiden zijn. Het lijken mij allemaal details die er niet echt toe doen. Het gaat om de boodschap die met dit verhaal wil worden uit-gezegd.En wat dat aangaat heb ik weer een mooie impuls gekregen van de Amerikaanse bisschop Robert Barron. Hij legt het verhaal van de drie koningen langs ons eigen onderweg zijn met God.
De figuren die koningen genoemd worden zijn astronomen, astrologen, geleerde sterrenkijkers die in de sterren zoeken naar betekenis, zin en inhoud.Wij zouden zeggen dat ze op zoek zijn naar God. Zoals de heilige Edith Stein zegt; “zoek je de waarheid dan zoek je God”. Dat sterren kijken doen die wijzen heel serieus, heel aandachtig, elke nacht opnieuw, jaar in jaar uit, kijken en standen vergelijken, het is een levenstaak. En hoe doen wij dat? Hoeveel energie en hoeveel aandacht besteden wij aan het zoeken naar God? Wij hebben het vaak zo druk met van alles en nog wat dat zoiets nutteloos als ‘naar de sterren kijken’ er bij in schiet. Ook het beschouwen van ons leven in relatie tot de Ene ster?
Afijn de wijzen zien de ster en gaan meteen op reis, ze komen in actie. Nu was reizen in die tijd een riskante onderneming zeker voor die wijzen die helemaal niet gewend waren om te reizen. Maar nu twijfelen ze geen moment; ze gaan meteen op weg. En hoe is dat met ons? In hoeverre brengen wij de moed op om te doen waarvan we eigenlijk wel weten dat we het zouden móéten doen? Komen wij echt in beweging als het nodig is? Met enthousiasme, omdat we de ene Ster hebben gezien, immers gedoopt als we zijn?
Vervolgens stuiten de wijzen die op weg zijn naar het Licht op tegenstand; Herodus. “En dat”, zegt Robbert Barron, “is exemplarisch voor iedere mens die op weg is naar God”. Niet soms, niet vaak, maar altijd! Want de wereld probeert ons constant vast te houden en naar beneden te trekken. Het kwaad in en om ons heen, probeert ons opgaan naar God te dwarsbomen. Dat geldt gewoon voor ons mensen in alle aspecten van het leven, maar ik heb het zelf een keer heel duidelijk voor me gezien toen ik nog met alcohol –en drugsverslaafden werkte. Toen het een bepaalde persoon leek te gaan lukken, om van zijn verslaving af te komen, werd hem door zijn mede-patiënten het leven moeilijk gemaakt. En in een vrij weekend werd hij gestimuleerd om gewoon weer te gaan gebruiken. Immers, als het hem niet lukte, was dat een mooi excuus voor het eigen onvermogen. En zo werkt het echt; steeds als iemand de wil van God probeert te doen, roept dat weerstand op bij anderen, die dat niet willen, niet durven of niet kunnen. Dus schrik nooit van de weerstand die je tegenkomt; die móét je wel tegenkomen als je los probeert te komen van de zondigheid in onze wereld. Herodus staat hier symbool voor die weerstand.
De wijzen passeren Herodes en vinden Jezus in de kribbe. Ze knielen ze voor Hem neer en bieden Hem geschenken aan; traditioneel uitgelegd als; goud omdat Hij koning is, wierook omdat Hij heilig is een mirre omdat Hij zal lijden. Maar je kunt er ook in algemene zin naar kijken; Wat geven ze aan het kindje Jezus? Ze geven het beste wat ze hebben. Niet alleen iets wat veel geld waard is, maar gewoon het beste wat ze hebben. Zo kun je weet hebben van de ster, misschien heb je de moed om op weg te gaan en overwin je de weerstanden die je tegenkomt. Maar dan, als je God gevonden hebt, geef je Hem dan ook het beste van wat je hebt? Of meet je op het beslissende moment de zaak toch nog af; wel wàt aan God geven, maar niet het beste van wat je te geven hebt? Het beste wat je te geven hebt, dat ben je natuurlijk zelf; met heel je hart, heel je ziel heel je verstand en heel je kracht. Hem liefhebben doorheen het leven wat je gekregen hebt, doorheen de mensen die je op je weg tegenkomt.
En tenslotte; de wijzen gaan langs een andere weg terug. Als je Christus eenmaal gevonden hebt, als je Zijn Licht eenmaal gezien hebt, dan kun je eenvoudigweg niet meer langs dezelfde weg terug,niet meer gewoon doorgaan waar je mee bezig was. Als God je geraakt heeft, dan kan je leven nooit meer hetzelfde zijn als voorheen. Hij laat je nooit meer los en jij laat Hem nooit meer los.
Mogen we zo het nieuw jaar in gaan. Dóórgaan in ons opgaan naar God, groeiend in geloof, toenemend in kracht. om tenslotte, net als de wijzen, het beste te geven wat we hebben. Amen.