Groter dan ons hart

Pieter Raaijmakers

Groter dan ons hart
25 Januari 2019

Groter dan ons hart

OVER DE NAAM

De naam van deze website is ontleend aan een lied van Huub Oosterhuis en Antoine Oomens dat mij diep geraakt heeft toen ik op zoek was naar een fundament onder mijn leven. Het is maar de halve zin want eigenlijk staat er “Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart”. Het gaat over een Gij die geen naam heeft maar wiens betekenis ons, mijn hart, ver overstijgt.

OVER MIJ

Ik ben Pieter Raaijmakers, van “paplepelkatholiek” geworden tot “fundamenteel katholiek”. Natuurlijk weet ik dat dat woord aversie oproept omdat het tegenwoordig direct in verband gebracht wordt met terrorisme, maar ik bedoel het in de zin zoals van Dale het omschrijft “betreffende de grondbeginselen”. Eigenlijk klopt het ook weer niet helemaal want als ik echt een fundamenteel katholiek zou zijn, dan was ik een heilige. Dat zou ik wel willen, maar ik ben er verre van.

26 Januari 2026

Kerk wereldwijd

Slechte Bijbelkenners, zoals wij katholieken gemiddeld toch altijd nog zijn, zullen het vreemde vertelsel over het land van Naftali en Zebulon, maar gauw overslaan en verder lezen over het grote licht dat is opgegaan. Want dan weten we weer waar het over gaat; het grote licht van Christus en de komst van het Rijk der Hemelen. Nou wil ik mijzelf zeker niet poneren als een bovengemiddelde katholiek en bijbelkenner, maar als je zo een preek mag voorbereiden, dan wordt je wel een beetje verplicht om je erin te verdiepen. En zo leerde ik dat Zebulon en Naftali in de oudheid twee stukken land waren die, net als de andere gebieden daar, vernoemd waren naar de 12 zonen van de aartsvader Jacob. De 12 stammen die het volk Israël vormden. Maar Zebulon en Naftali lagen in een grensgebied in het noorden. En door buitenlandse invloeden en deportaties waren zij weggedreven van de kern van het joodse volk en de Tempel in Jerusalem. Daarover hoorden wij Jesaja spreken in de eerste lezing; “In het verleden is er oneer gebracht over het land Zebulon en over het land Náftali”, maar in de toekomst wordt er eer gebracht aan de zeeroute, de overkant van de Jordaan en het Galilea van de heidenen”.

In het Evangelie horen we dat terugkomen. Want precies daar begint Jezus zijn prediking; “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij”. Als wij Jezus zo horen spreken denken we vooral in spirituele categoriën, maar voor de Jood en was de komst van het koninkrijk heel concreet. Hun hoogste verwachting van de komst van de Messias lag daarin, dat de 12 stammen van Jacob weer verenigd zouden worden tot één groot volk. En daarom worden die twee afdwalers, Zebulon en Naftali, hier specifiek genoemd. Dat is immers wat Jezus zich ten doel stelt; alle volken te verenigen en thuis te brengen bij de ene God. Daarom begint Hij zijn openbare optreden hier in het grensgebied, het Galilea van de heidenen.

Als we het leven van Jezus goed bekijken zien wij dat Hij geboren is in een stal, een plek waar de dieren thuishoren. Hij wordt gelegd in een kribbe, daar waar men het voedsel van de dieren deponeert. Lager kan niet voor mensen. De volkse verbeelding heeft de stal waarin Jezus geboren werd zelfs voorgesteld als een grot. Ook die suggereert laagte en diepte. Het is alsof de Zoon van God bij zijn komst in de wereld zo laag mogelijk wilde neerdalen, tot bij de dieren in de donkere diepte van de aarde. En dat terwijl wij door heel de geschiedenis heen, God juist spontaan associëren met hoogte. Met de bergen, hoger nog, met de hemel. Als God tot ons komt in de kerstnacht geeft Hij blijk van een ondubbelzinnige voorkeur voor de laagte, symbool voor wat klein, onaanzienlijk is, geminacht en misprezen wordt. Dat patroon zet zich voort als we zien welke mensen het eerst bij het goddelijk kind op bezoek komen; onaanzienlijke, arme woestijnherders en niet-joodse wijzen uit het oosten, heidenen, voor wie de weldenkende joden een diepe minachting hebben. Jezus laat zich dopen in de Jordaan; die ligt ongeveer 350 meter onder de zeespiegel. Het is de laagst gelegen regio van de hele aardbol. En de merkwaardige keuze van de Zoon van God manifesteert zich opnieuw als Hij besluit zich te laten omringen door een twaalftal beperkte volgelingen. Daarvoor wendt Hij zich niet tot de hogere kringen van religieuze gezagsdragers zoals de priesters, hogepriesters, Farizeën of Essenen, ook niet tot de machtige Romeinen.

Nee, Hij gaat het zoeken bij arme landarbeiders, eenvoudige vissers, niet in het machtcentrum Jerusalem, maar in het verloren land van Zebulon en Naftali, het Galilea van de heidenen.

“Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen”;
dat is de houding waarmee Jezus Zijn grote dienstwerk begint
en alle mensen, alle volkeren van de wereld wil verenigen
en terugbrengen bij Zijn Vader, onze Vader, de ene God.

Dat is ook de houding waartoe Hij ons oproept als Hij zegt; “Kom en volg Mij”.
Die dienst aan God en mens heeft Hem als het ware uiteengetrokken aan het kruis.
Eén hand uitgestrekt naar de Vader, de andere naar ons.
Biddend, zoals de Evangelist Johannes het zegt;
“Mogen allen één zijn, Vader, zoals Gij in mij bent en ik in U ben”.

Maar het blijft mensenwerk. We lezen in de brief van Paulus dat er al grote verdeeldheid heerst, ook in de jonge Kerk;

“Dit bedoel ik, dat ieder van u zegt: “Ik ben van Paulus”,
“Ik van Apollos”, “Ik van Kefas”, “Ik van Christus”.
Is Christus dan in stukken verdeeld?”

Is Christus dan in stukken verdeeld? Dat kan hij ook gerust tegen ons zeggen want ook wij hebben zo onze voorkeuren voor deze of gene priester, voor deze of gene bisschop, voor dit of dat gezang. Maar er is er maar Een hier in ons midden die dezelfde blijft, gisteren, vandaag en morgen.

Hij stelt zich steeds opnieuw present in de heilige Eucharistie, waarin we eten van dat ene Lichaam dat ons tweeduizend jaar bij elkaar gehouden heeft.

Kerk wereldwijd; Kerk, waarin alle mensen, rassen en standen, gelijkwaardig (niet gelijk maar gelijkwaardig) en welkom zijn. Amen.

 

 

 

16 Januari 2026

Bevrijd uit de slavernij. Doop van de Heer A jaar 2026

Bij de voorbereiding van jonge ouders op het Doopsel van hun kindje  stel ik altijd een beetje een gemene vraag. Nou, echt gemeen is het natuurlijk niet, het is meer om een soort schokeffect teweeg te brengen waarmee zij zich realiseren dat het Doopsel niet zomaar een vanzelfsprekend symbool is, maar dat het geworteld is in het leven. Ik laat ze nooit lang zwemmen want ik weet van te voren dat ze het antwoord dat ik zoek, nooit zullen geven. De vraag is; hoe zijn de mensen er ooit toe gekomen om te dopen met water? Waarom dat hele doopritueel? Waarom niet gewoon een kruisje of een ander teken? In de beste gevallen geven de ouders een antwoord in de zin van “Water reinigt, wast schoon”. Of; Johannes de Doper riep daarmee op tot bekering. Maar dan nog: hoe is hij ertoe gekomen om te dopen? Die vraag brengt ons terug bij de meest fundamentele ervaring van het Joodse volk; de Uittocht uit Egypte, meer precies; de doortocht door de Rode Zee. Dáár ligt de kiem van wat later ons Doopsel geworden is. Want hier wordt het volk opgeroepen om, onder de bescherming van Gods machtige hand het onmogelijke te doen; door het water heen te trekken, de vrijheid tegemoet, bevrijding uit de slavernij van Egypte. Ook al hebben ze daarna nog heel wat beproeving te doorstaan in de woestijn. Wellicht niet toevallig dat Jezus ook meteen na zijn Doop, zoals het Evangelie zegt; “door de Geest de woestijn wordt ingedreven” om daar “door de duivel op de proef gesteld te worden”. Als Johannes de Doper begint met zijn doopsel is dat dus niet iets wat hij zomaar zelf verzonnen heeft . Hij wil het ontspoorde volk terugbrengen bij haar gelovige wortels; die doortocht door de Rode Zee, die fundamentele ervaring van Gods reddende aanwezigheid. “Herinner je toch hoe God ons volk bevrijd heeft, keer je om van de goddeloosheid, maak een nieuwe Exodus en trek opnieuw door het water”. Dat water is dan nu de Jordaan". 

Maar dan het Doopsel van Jezus. Dat is zoveel meer. En Johannes de Doper weet dat; “Hij komt dopen met de heilige Geest en met vuur”. De Doop van de Heer is zó rijk dat alle aspecten van onze geloofsbelijdenis er als het ware in samenkomen. In het Evangelie van vandaag zien we allereerst de openbaring van de Goddelijke Drie-eenheid; de Vader wijst Zijn veelgeliefde Zoon aan, ware God uit de ware God, één in wezen met de Vader. En de Heilige Geest, die voortkomt uit de Vader en de Zoon, daalt neer uit de hemel in de gedaante van een duif. In het mysterie van het Doopsel van de Heer zien we hoe de hemel, waar God woont, zich opnieuw opent en Zijn scheppende Geest laat neerdalen. Zoals in de Schepping van de aarde, zweeft ook nu de “Geest van God over de wateren”. Het Doopsel van De Heer is een nieuwe schepping, een schepping die veel verder gaat dan de eerste schepping. Een schepping waar God zich volledig laat onderdompelen in het water van deze wereld: Hij is zélf uit de hemel neergedaald en mens geworden.

De symboliek van water komt inderdaad goed tot uitdrukking in haar reinigende en zuiverende kracht: water maakt schoon wat bezoedeld is. En wij weten dat geen mens leeft zonder de smet van de zonde. Daarom precies, om ons te bevrijden van de slavernij van de zonde, heeft God ons Zijn eigen Zoon gezonden. Waar het bij de uittocht nog ging om bevrijding uit de slavernij van Egypte, gaat het bij ons Doopsel om iets fundamenteels; bevrijding uit de slavernij van zonde en dood. Onze geloofsbelijdenis zegt dan: Hij is voor ons mensen, en omwille van ons heil mens geworden. Hij werd voor ons gekruisigd. En Christus deed dat om onze zonden op zich te nemen: “Hij die geen zonde heeft gekend” , mengt zich onder onder de zondaars en laat zich, zoals zij, door Johannes dopen, als voorafbeelding van Zijn dood en opstanding.

Maar met al deze symboliek rond het Doopsel, zouden we kunnen vergeten dat het in ons geloof niet louter  om symbolen gaat. Wij belijden dat Christus geleden heeft onder Pontius Pilatus, en het Evangelie vermeldt ook dat Johannes doopte “in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus landvoogd van Judea was”. Ons geloof is dus gebaseerd op  historische feiten, op waarheden die in de objectieve werkelijkheid bestaan, los van gevoelsmatige belevingen. Anderzijds is het ook waar dat Gods openbaring pas vruchtbaar wordt, als wij haar tot een bewust deel maken van ons leven. Het mysterie van vandaag gaat dus  over ons; wij die geloven dat wij door het éne Doopsel vergeving van zonden verkrijgen en opstanding van de doden:  

Vandaag vieren wij  het Mysterie van het éne Doopsel, maar ook van het éne geloof dat sinds de eerste Apostelen onveranderlijk werd doorgegeven tot nu toe. In de neerdaling van de Heilige Geest wordt zo ook al het Mysterie van Pinksteren aangekondigd, waar de Kerk en wij dus, onze wezenlijke zending ontvangen; In de Geest van Christus licht te zijn voor deze wereld. Vandaag zullen enkele jonge mensen hun eerste stappen zetten in die richting, en dat vraagt van ons wij hen ondersteunen met gebed en hen tot voorbeeld zijn als gedoopte, geliefde kinderen van God. Amen.

 

23 November 2025

Met Hem in het paradijs. Christus Koning 2025

Volgende week vieren we met de eerste zondag van de Advent het nieuwe kerkelijk jaar, vandaag dus het slotakkoord van het voorbije jaar: Christus Koning. Mooi zullen sommigen zeggen, mooi dat Christus Koning is, maar wat heb ik daar eigenlijk aan? Nou, heel veel eigenlijk. Misschien is niet iedereen enthousiast over het beeld van Christus als Koning omdat we dan te zeer te kampen hebben met beelden van de aardse, politieke koningen. Onze eigen koning is redelijk geliefd maar echt een regerende vorst is hij natuurlijk niet. Een koning in de eigenlijke betekenis van het woord, is iemand die leiding geeft, iemand die zaken ordent en gericht is op het goede voor iedereen. Neem bijvoorbeeld de dirigent van een orkest; hij maakt zelf geen geluid, maar hij stuurt de muzikanten aan. Hij ordent de muziek zo dat er een mooie symfonie ontstaat. Richting geven, ordenen zodat elk instrument tot zijn recht komt.

Bij ons doopsel zijn we allemaal gezalfd tot een drieledige opdracht; priester te zijn, profeet te zijn en koning. Koning dienen we dus te zijn, allereerst over ons eigen leven. Wij hebben immers allemaal te stoeien met een wirwar aan gedachten, gevoelens, strevingen en verwachtingen. Onze ziel heeft koninklijke sturing nodig om daar orde en richting in aan te brengen. En alleen in zoverre we koning zijn over al die tegenstrijdige bewegingen in onszelf, kunnen we onze koninklijke opdracht ten aanzien van onze omgeving vervullen.

Voordat we naar Jezus gaan wil ik de blik richten op de koningen van het Oude Testament. Want koningen spelen daarin een heel grote rol. De eerste, die dan wel niet de naam van “Koning”, draagt, maar toch wel een belangrijke koninklijke rol gespeeld heeft, dat is natuurlijk Abraham; vader van vele volken, vader van jodendom, christendom en islam. De meest in het oog springende eigenschap van deze koning is dat hij kon te luisteren en gehoorzamen. Gehoorzamen aan de stem van God, ook toen Hij de meest onmogelijke dingen van hem vroeg; Zijn land en stam achter zich te laten (wat in die tijd zoiets was als zelfmoord) en zijn meest geliefde zoon Isaac te offeren. Benjamin Franklin, één van de stichters van Amerika, heeft eens gezegd dat degene die niet kan gehoorzamen, ook geen leiding kan geven. En het is dus ook een eigenschap van alle koningen uit het oude Testament, dat ze kunnen gehoorzamen aan Gods stem.

Een andere belangrijke koning is koning David. Koning David was vooral een strijder. Hij overwon de reus Goliath en de Fillistijnen en versloeg allerlei andere volken die een bedreiging vormden voor het Godsvolk.

Nog een belangrijke koning uit het oude Verbond is koning Salomon. Hij bouwde het huis van God, de tempel van Jerusalem en verder staat hij vooral bekend om zijn grote wijsheid. Exemplarisch daarvoor is natuurlijk het beroemde Salomonsoordeel.

En dan hebben we de drie belangrijkste eigenschappen van de Bijbelse koningen gehad;

  • het zijn allemaal strijders, ze vechten voor hun volk
  • ze luisteren en gehoorzamen aan de stem van God
  • en ze beschikken over een grote mate van wijsheid.

En kijken we nu dan naar Jezus dan zien we des te beter waarom Hij Koning genoemd wordt. Want:

  • Een strijder was Hij. Overal waar Hij kwam streed Jezus. Niet tegen legers of tegen mensen, maar tegen het kwaad.
  • Luisteren en gehoorzamen? Tot in Zijn laatste ademtocht aan het kruis.  “Vader niet mijn wil geschiede, maar Uw wil”.
  • Wijs? Als geen ander! Bijvoorbeeld; “Wie zonder zonden is werpe de eerste steen”. Of: “Haal eerst de balk uit je eigen oog, dan zie je misschien scherp genoeg om de splinter uit het oog van de ander te halen”. Enzovoorts enzovoorts.

Zo moeten ook wij allemaal koning zijn van ons eigen leven. En het is misschien goed om zo eens over die oudtestamentische beelden van het koningschap na te denken. Zijn wij die dappere strijders die ons niet te gauw overgeven aan de verleidingen? Luisteren wij naar de stem van God, of toch liever naar onszelf? Zijn we wijs genoeg om ons leven te zien vanuit het perspectief van het goddelijke?

In het Evangelie wat we zojuist hoorden zet Jezus de kroon op zijn koningschap. Voor de laatste keer weerspreekt hij de stem van de duivel die Hem aan het begin van Zijn openbare leven ook al beproefd had in de woestijn:  “Spring dan van die toren af, dan komen uw engelen U toch redden?”,  Hier is het bij monde van die misdadiger; “Als gij Koning zijt, red dan uzelf en ons”. Oftewel “Luister niet naar God maar wees je eigen god”. Het is die oerdrift al vanuit het Scheppingsverhaal; “Eet maar gerust van die vrucht want je zult helemaal niet sterven”.

De twee misdadigers die met Jezus gekruisigd werden, zetten ook ons voor de keuze; Praten we met de ongelovige mee: “Kom van het kruis af en red uzelf en ons.” Want vinden we soms ook niet dat Jezus maar eens moet komen; om onze ziekte te genezen, onze dierbaren van de dood te redden of ons uit wat voor nood ook te komen bevrijden? En scheelt het soms niet eens veel of we zijn boos op God, omdat dan niet gebeurt wat wij willen? Ofwel zijn we meer als die andere misdadiger, die vanuit zijn diepste ellende nog kan zeggen; “Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw koninkrijk gekomen zijt”. Als enige in dit hele gebeuren erkent deze misdadiger het feit dat Christus Koning is.

En hij zegt ons iets heel belangrijks; dat aan zijn ellende niet te ontkomen valt, maar dat die ellende niet het laatste woord hoeft te hebben als we erkennen dat Christus Koning is. Ook wij ontkomen immers niet aan de ups en downs van dit aardse leven en eens gaan we allemaal. Maar we kunnen wel op Jezus blijven vertrouwen en Hem vragen om aan ons te denken als Hij in Zijn koninkrijk gekomen is. Met andere woorden; vertrouwen wij ons toe, door alle wederwaardigheden van het leven heen, aan Christus die onze Koning is. Daarmee zullen we niet elk kruis in ons leven kunnen ontlopen, maar tenslotte wel met Hem zijn in het paradijs. Amen.

20 Oktober 2025

Bidden? 29ste zondag dhjr. C 2025

Het is niet de enige keer in het Evangelie, dat Jezus de apostelen, en daarmee ons; aanspoort om te bidden en om het gebed nooit op te geven. En natuurlijk moeten we dat dan ook doen. Bidden en nooit ophouden met bidden. “Vraagt en u zal gegeven worden”; zegt Jezus in het Matheüs-Evanglie. Ook Jezus zelf bidt bij alle belangrijke momenten in Zijn leven. Op talloze plekken in de Bijbel zien we dat gebed krachtiger is dan alle andere menselijke ondernemingen. Zo ook vandaag in de eerste lezing. Zolang Mozes zich in gebedshouding tot God richt, is het leger aan de winnende hand, laat hij zijn armen zakken, dan gaat het de verkeerde kant uit. Maar niet alleen in de Bijbel, ook in onze eigen omgeving kunnen we talloze getuigenissen beluisteren van mensen die een persoonlijke gebedsverhoring hebben gehad.

Het is mooi als mensen zo’n duidelijke ervaring hebben. Maar ik moet u iets bekennen; Zelf heb ik nog nooit iets meegemaakt wat op een gebedsverhoring lijkt. Heb ik dan te weinig gebeden? Heb ik misschien verkeerd gebeden? “Vraagt en u zal gegeven worden;” zegt Jezus. Ik kan mij niet herinneren dat ik ooit op die manier gekregen heb waar ik voor gebeden had”.  Nee, dat ik kreeg waarvoor ik gebeden heb, dat is me nooit overkomen, maar wel heb ik altijd veel méér gekregen dan waar ik voor gebeden heb.

Het is best lastig om goed over gebed te spreken, want het is allemaal heel persoonlijk. Vroeger baden wij thuis “den Engel des Heren”. Dat ging zo snel dat we alleen wisten welke geluiden we erbij moesten maken, maar niet of nauwelijks wat er eigenlijk gezegd werd. En ook mijn moeder, die dan voorbad, moest helemaal opnieuw beginnen als ze even afgeleid was. Ik heb daar in mijn tienertijd natuurlijk kritische kanttekeningen bij gezet "Als je het zo doet, kun je net zo goed niet bidden!", maar achteraf besefte ik; “Er werd tenminste wel gebeden, voordat de maaltijd aangevallen werd”. Er werd wel even die link gelegd naar Hem, van wie we het allemaal gekregen hebben, wat er misschien ook op de vorm mocht zijn aan te merken. Of ik denk aan de buurman, die steevast, in een plechtige stilte, met zijn mes een kruis tekende over elk nieuw brood dat hij aansneed. Even die link met de Schepper.

Een ander voorval dat op mijn netvlies gebrand staat; Ik was net een paar maanden diaken en als zodanig bezocht ik een stervende vrouw. Haar man zat aan haar bed met een Mariabeeldje en een kaarsje te bidden en hij zei dat ik dat ook moest doen want dan zou zijn vrouw wel beter worden. Maar de mevrouw in kwestie had vergevorderde leverkanker en zag helemaal geel. Zij stond echt op de drempel van de dood. En natuurlijk, je mag altijd in een wonder geloven, maar als dat dan niet gebeurt, heb je dan niet goed gebeden? Je kunt het ook gebruiken als dooddoener; “Bidt er maar goed voor”. Het was eigenlijk heel zielig want man en vrouw zaten ieder in eenzaamheid te bidden voor beterschap die uitbleef. Het woord “afscheid”, mocht beslist niet gezegd worden. De man heeft gebeden voor wat hij waard was, maar daarna is hij zijn vrouw en God verloren.

Zal ik eens iets geks vertellen; Mijn persoonlijke, spontane gebed is vrijwel nooit iets anders dan een dankgebed. In de vaste gebeden natuurlijk wel, het Onze Vader, de psalmen, dat zijn gebeden waar je iets in vraagt, maar spontaan, eigen gebed, is bij mij vrijwel altijd een dankgebed. Zoals bijvoorbeeld aan tafel; “Goede God ik dank u voor deze dag, voor onze lieve kindjes en voor het eten dat op tafel staat.” Inmiddels zeg ik niet meer “onze lieve kindjes” want daar zijn ze ondertussen te groot voor.  Nog iets wat ik zelf achteraf ook heel vreemd gevonden heb; Toen ik jaren geleden een heftige leverziekte had, met doodsangsten en al, heb ik helemaal niet gebeden. Ik was zo beroerd, dat ik helemaal vergat om te bidden. Maar God heeft mij er doorheen getrokken en toen ik weer beter was, ben ik weer gaan bidden; uiteraard weer een dankgebed, duizend maal dank!. Nog een voorbeeld; tijdens ons huwelijk hebben wij nooit specifiek gebeden voor een gelukkig huwelijk, maar ondertussen weet ik heel zeker, dat wij nooit zo’n gelukkig en stabiel huwelijk gehad zou hebben, als wij samen niet waren blijven bidden.

Wat is dan bidden? Bidden is in levend contact staan met God. Dat is niet per se het opzeggen van Wees Gegroetjes en Onze Vaders, dat kan ook, maar bidden kan ook met eigen woorden; vragen, danken, of alleen maar verwijlen in contact met Hem die jouw Schepper is, schuilen in Zijn machtige armen, innerlijk rust vinden in Hem. Vertrouwvol leven, dat is bidden. Dan mag je vragen om goede dingen, maar je moet niet concluderen dat de Vader je vergeten is als je niet onmiddellijk je zin krijgt.

Nog iets waarom ik eigenlijk alleen maar dank; God kent toch mijn hart? Hij weet wat er in mij omgaat. Onze Vader weet eerder wat ik nodig heb dan dat ik dat zelf weet, dan hoef ik Hem dat toch niet meer te vragen? Ik weet het, het lijkt in tegenspraak met Jezus’ oproep en misschien doe ik het wel verkeerd, maar zo zit ik er in.

Nog een ding en dan ga ik dit warrig verhaal besluiten. Het is belangrijk om een vaste routine in te bouwen voor momenten van gebed. Met alleen spontaan gebed redt je het niet. Je moet kiezen voor een zekere routine, je moet jezelf ertoe dwingen om een  bepaalde regelmaat in te bouwen. Het getijdengebed is daarvoor een prachtig middel. Vaste tijden, vaste gebeden waarvan je weet dat de hele Kerk die met je meebidt. Maar als je daar niet aan toekomt; houdt in elk geval de zondagsmis in ere. Ik houd er niet van om te roepen dat het een zondagsplicht is, maar de intentie om de draad met God niet los te laten, vooral op die momenten dat je er helemaal geen zin in hebt, die kan je leven redden. Immers, als niets in je leven nog zeker is; Hij die Is, zal er Zijn. Maar dan moet jij Hem de kans geven. Amen.