Groter dan ons hart

Pieter Raaijmakers

25 Mei 2026

Volharden in gebed. 7e zondag van Pasen 2026

Donderdag hebben we de Hemelvaart van de Heer gevierd en nu, tussen Hemelvaart en Pinksteren,  leven we mèt de leerlingen in een soort leemte. De verrezen Christus is uit het blikveld verdwenen, terwijl de leerlingen nog niet bekomen zijn van alle gebeurtenissen die hen met Jezus overkomen zijn; de ellendige omwenteling van gejubel naar kruisiging, de akelige kruisdood van hun grote leider en voorbeeld, de ontreddering en de verbazing van het lege graf, de vreemde verschijningen  en tenslotte dan Zijn Hemelvaart. Ze wisten er allemaal nog geen raad mee. Anders gezegd; ze hadden de Geest nog niet ontvangen. Maar dat ze biddend bij elkaar moesten komen, dat hadden ze wel begrepen. Vandaag horen we in de eerste lezing dan ook dat “Zij allen eensgezind bleven volharden in in gebed”.  Volharden dus. Niet zo maar eventjes als het je goed uitkomt, niet één keer per week aan een Eucharistieviering deelnemen, of een schietgebedje in uiterste nood, ook prima natuurlijk, maar wat wij eigenlijk moeten doen is volharden in dagelijks gebed.

Waar gaat het om? Dat bidden? Dat wij al onze dagen, al onze uren, stellen in het teken van onze afhankelijkheid van God. Ik weet het; dat woord “afhankelijkheid” heeft in onze wereld vooral een negatieve klank gekregen. Alle educatie is erop gericht om zelfstandig en vooral onafhankelijk te worden. En tot op zekere hoogte is dat ook goed natuurlijk. Maar toch is het zo dat wij elke hartslag, elke ademtocht van Hem krijgen. Dat alles wat wij tot stand brengen, alleen gebeurt omdat Hij ons de kans geeft. Daarom is het zo belangrijk om te volharden in gebed. Om in alles wat wij doen onze relatie met God voorop te stellen. 

Dan het Evangelie. Alle godsdiensten, ook welke wij “de primitieve” noemen, zijn het er over eens dat het leven zelf de hoogst denkbare waarde is. En uiteraard vormt ook het christendom daarin geen uitzondering. Alles wat Jezus doet en zegt is ter bevordering van dat leven. Gelukkig leven, niet voor de happy few, maar voor alle mensen. En als mens streven we eigenlijk naar het hoogst mogelijke geluk. Maar er is alleen sprake van “hoogst mogelijk geluk” als het niet meer ophoudt, dat wil zeggen dat het eeuwig zou moeten duren. Laat dat nou zijn wat ons in Christus beloofd is; eeuwig leven, eeuwig geluk. Het is eigenlijk te mooi om waar te zijn, en omdat het te mooi is om waar te zijn, kunnen veel mensen er ook niet in geloven.

Het Evangelie van vandaag leert ons uitdrukkelijk waar dat eeuwig leven in bestaat;  “En dit is het eeuwige leven, dat ze U kennen, de enige ware God en Hem die Gij gezonden hebt, Jezus Christus”. Daarmee gaat het Evangelie lijnrecht in tegen de opvatting van onze wereld dat we God niet kunnen kennen. Omdat Hij een verborgen God zou zijn in een ontoegankelijk licht, of zoiets. Dat onze menselijke begrippen tekort schieten om iets zinnigs over Hem te zeggen en dat we er daarom ook beter over kunnen zwijgen. Een dergelijke opvatting wordt door heel de Bijbel radicaal tegengesproken. Maar omdat wij inderdaad te klein zijn om uit eigen kracht tot God te naderen heeft Hij zichzelf klein gemaakt om ons te bereiken. God heeft tot ons gesproken in de profeten en uiteindelijk door Zijn Zoon. Zo heeft Hij zich aan ons –geopenbaard-, met een plechtig woord. Zo hebben wij God zelf leren kennen. En dat is het eeuwige leven, zoals we uit het Evangelie leren; dat we God kennen.

Maar dat kennen van God is wel iets anders dan hoe we Jantje of Pietje kennen. Misschien heb je weleens over God gehoord, misschien heb je al veel over Hem gehoord, maar daarmee is nog niet gezegd dat je Hem ècht kent. Het “kennen” uit het Evangelie heeft een diepe betekenis en die betekenis kunnen we misschien het best illustreren met een fragment uit het Scheppingsverhaal. In de nieuwere vertaling staat; “En Adam had gemeenschap met zijn vrouw Eva, en zij werd zwanger”. In de oudere vindt men: “En Adam bekende zijn vrouw”. Echt kennen is dus “gemeenschap hebben met”. God kennen is dus “in gemeenschap met Hem leven”. En dat betekent dus dat wij niet af en toe een keer wat over Hem lezen, maar dat wij leven in Hem. Als wij God zo kennen, als wij zo dicht bij, of in Hem zijn dan weten we wat “eeuwig leven” is. Dat eeuwig leven begint dus ook niet pas straks na de dood, als het afgelopen is, in een andere wereld, maar dat leven kan nu beginnen in de mate dat wij in gemeenschap leven met God.

Wij vinden het ook zo mooi terug in de eerste Korintiërsbrief  waar het gaat over de Eucharistie; “Geeft niet de beker der zegening die wij zegenen, gemeenschap met het bloed van Christus? Geeft niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het lichaam van Christus?  Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood.  Een geest, één lichaam vormen met Christus, dat is het eeuwige leven. En dat is een reden te meer om vooral te volharden in gebed. Amen.