Zout der aarde? 5e zondag dhjr. A 2025
Meteen na de zaligsprekingen die we vorige week in het Evangelie hoorden, zegt Jezus tot degenen die Hem gevolgd zijn, en over hun hoofden heen dus tot ons; “Gij zijt het zout der aarde”. Omdat deze uitspraak onmiddellijk volgt op de zaligsprekingen moeten we die twee zaken niet van elkaar losmaken. Wat Jezus duidelijk wil maken met de beelden van zout, licht en de stad op de berg is dat zijn volgelingen een voorbeeldfunctie hebben. Maar deze voorbeeldfunctie wordt alleen effectief in de mate dat de zaligsprekingen daadwerkelijk beleefd worden. Wij zijn het zout der aarde, het licht der wereld in de mate waarin wij behoren tot degenen die arm van geest zijn, als wij in onze wereld redenen zien om te treuren, als wij barmhartig zijn, zuiver van hart, als wij hongeren en dorsten naar gerechtigheid, en als wij eventuele vervolging om onze relatie met Christus niet schuwen.
De beelden die Jezus gebruikt om te laten zien hoe zijn leerlingen in het leven moeten staan zijn eenvoudig en duidelijk; ze moeten zijn als zout, licht en een stad op de berg. En die beelden hebben een krachtige, gemeenschappelijke verwijzing; zij verwijzen alle drie naar iets anders dan naar zichzelf. Het zout is er niet voor zichzelf, maar om smaak te geven aan andere spijzen. Het licht is er niet voor zichzelf, maar om de omgeving in het licht te zetten. Een stad op een berg had in Jezus’ tijd een beetje een soort functie als GPS. Mensen die op reis waren konden zich eraan oriënteren. Zout, licht en de stad op de berg staan dus ten dienste van iets anders dan zichzelf en dat zou ook de houding moeten zijn van mensen die leven volgens de zaligsprekingen; echte christenen zijn niet voortdurend uit op eigenbelang maar staan in dienst van God en mensen. Zij waaien ook niet voortdurend mee met elke nieuwe hype maar zoeken de geboden van God consequent te onderhouden. Zij gehoorzamen Hem ook wanneer Hij zegt, bij monde van de profeet Jesaja bijvoorbeeld; “Deel uw brood met de hongerigen, neem de dakloze zwerver in huis, kleed de naakten die ge ziet en keer u niet af van uw medemens. Dan zal uw licht stralen als de dageraad”. Jezus kende deze passage uit joodse heilige Schrift natuurlijk heel goed en Hij moet eraan gedacht hebben toen Hij zelf sprak over hen die leven volgens de zaligsprekingen; “Zo moet uw licht stralen voor het oog van de mensen”. Niet tot onze eigen eer en glorie, moet dat licht stralen, maar, zoals het Evangelie besluit: “opdat de mensen uw Vader verheerlijken die in de hemel is”.
Al met al is het toch wel een confronterend geheel. Want doen wij, doe ik, als christen wel zo heel veel anders dan andere mensen? Oh jawel, wij bidden regelmatig, wij zullen sommige elementen van de zaligsprekingen ook zeker wel beleven, maar toch, als het gaat om ons brood echt te delen? Ach, we geven soms wel een paar centen van wat we over hebben, maar echt delen? Naakten om te kleden zijn er niet, maar onze kapitalistische wereldorde maakt toch wel dat er onverdraagbare verschillen zijn in rijkdom en armoede. Kan ik daar wat aan doen? Niet zo gemakkelijk, maar doe ik alles wat ik wel kan? Zijn we in het licht van de zaligsprekingen, voldoende radicaal christelijk, om door de wereld gezien en geproefd te worden als licht en zout? Of hobbelen we gewoon een beetje mee met de gemiddelde orde van de wereld: lauwe christenen die zich een beetje in slaap sussen met de gedachte; “ach, we doen het zo slecht nog niet”. Nee, inderdaad, zo slecht doen we het niet, maar kan het, als we eerlijk zijn, toch ook niet nog veel beter?
Wat helpen kan, is, dat we onze eindbestemming voldoende voor de geest houden; en die eindbestemming is eeuwig leven, eeuwig geluk bij God. Dit leven, deze privileges, deze welvaart, deze gezondheid, deze status, alles waar wij ons aan vastklampen, dit tijdelijke verblijf op aarde, is niet alles waar het leven om draait. Nee, onze eindbestemming is iets, of Iemand anders, zoals we bij elk levenseinde zingen; “Niemand leeft voor zichzelf, niemand sterft voor zichzelf. Wij leven en sterven voor God onze Heer, aan Hem behoren wij toe”. Amen.