Groter dan ons hart

Pieter Raaijmakers

23 Augustus 2026

"Wie zeg jij dat ik ben?" 21 ste zondag A 2026

Kijkend naar de eerste lezing van Jesaja van zojuist komt het welllicht vreemd over dat die koning, Shebna zomaar ineens uit zijn ambt gegooid wordt. Vreemd ook dat de voorgaande paar zinnen van het verhaal niet zijn opgenomen, want dan was het een stuk beter te volgen. Deze koning Shebna laat zich daar een groot praalgraf uithouwen, boven op een berg. Hij is bezig om een monument op te richten voor zichzelf, een monument waarmee hij ook na zijn dood, vanaf de hoogte, nog indruk kan maken. En dat is in Gods ogen een grof misbruik van de macht die Hij Shebna gegeven had. Hij moet die macht niet gebruiken tot eigen eer en glorie, maar om het Godsvolk te leiden.

Het Evangelie past er vandaag goed bij want ook daar gaat het om goddelijke macht die overgedragen wordt van de een op de ander; nu van Jezus op Petrus. Het begint met de vraag van Jezus; “Wie zeggen de mensen dat ik ben?” Jezus vraagt dat niet omdat Hij bevestiging nodig zou hebben, niet met de bedoeling om bejubeld te worden. Jezus vraagt dit met het oog op Zijn naderende einde. Volgende week al, zullen we voor het eerst horen dat Hij dat einde aankondigt. Maar voordat Jezus die weg naar Jerusalem inslaat, wil Hij weten of de missie die Hij heeft van Godswege, of die missie begrepen wordt, door de mensen die Hem het beste kennen; “Wie zegt gij dat ik ben?” De vraag wordt aan de leerlingen gesteld, maar natuurlijk ook aan ieder van ons. Wie is Jezus voor ons? Voor mij?

In het Evangelie zien we een soort tegenstelling tussen wat de mensen zeggen, en wat Petrus zegt. De mensen van de wereld komen niet verder dan wat ze al kennen. Zij kijken met wereldse ogen naar Jezus en zien iets van vlees en bloed; Hij lijkt op een profeet, iemand als Johannes de Doper misschien. Ze zien wel  een bijzondere mens in Hem, maar toch ook gewoon -een mens- als alle anderen. Grote groepen mensen, ook katholieken vandaag komen niet verder dan dat. -Jezus “unne goeie mens”, een goed voorbeeld-.  

Maar dan het antwoord van Petrus; “Gij zijt de Christus, de gezalfde, de Messias, de Zoon van de levende God’. Petrus ziet niet met de ogen van de wereld, -of zoals Jezus het zegt-, “niet vlees en bloed hebben het u geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is”. Niet met natuurlijke vermogens, niet door een sterke wil of diepgaande studie is het dat Petrus Jezus in Zijn wezen kent, maar vanuit een gelovige openheid. Want alleen daarin kan de Vader iets laten zien. Petrus ziet het dus; “Hier is meer dan een profeet! Dit is God zelf, die in de wereld is gekomen”. En nu Petrus Jezus zo onomwonden heeft erkend als “God onder de mensen”, nu kan Jezus,  zeg maar, Zijn geestelijk testament, met een gerust hart bij Petrus neerleggen. Alleen immers iemand die Jezus daadwerkelijk kent zal op een goede manier met Zijn erfenis om kunnen gaan; “Zalig zijt gij Simon bar Jona, want vlees en bloed hebben u dit niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemel is. En Ik zeg u:gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen".

Jezus erkent op Zijn beurt dat deze zwakke Petrus een man van God is, omdat hij door de Vader is aangesproken. Fijntjes herinnert Jezus hem aan zijn zwakke kanten, door hem Simon bar Jona te noemen. Simon, zoon van Jona. Een beetje bijbel kenner kent het verhaal van die ongehoorzame, ongelovige Jona die drie dagen in de buik van een walvis opgesloten werd. Hoe dan ook de belijdenis van Petrus dat Jezus de Messias is, die is voor Jezus het teken dat de toekomst van de Kerk bij niemand anders veilig zal zijn. Hij zegt hem dan ook: "gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen. en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen".

En zie hier onze Kerk van vandaag. Het romeinse rijk is ingestort, koninkrijken, machthebbers zijn gekomen en gegaan, Napoleon, het derde Rijk van Hitler, allemaal weg, maar onze Kerk staat nog altijd fier overeind. Inderdaad; de poorten van de hel hebben haar nooit weten te overweldigen. Er gaat altijd nog een ongelofelijke kracht uit van onze steenrots die vandaag paus Leo heet. Daar is gewoon meer aan de hand dan een goede organisatie of een krachtig leger. Daar is het God zelf die zijn belofte nakomt; “de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen”. 

Wij hoeven niet naast onze schoenen te gaan lopen, maar we mogen wel blij en dankbaar zijn om het feit dat wij, net als Petrus, door God zelf geroepen zijn om hier samen vorm te geven aan Zijn Kerk. Of dat nou is als priester, als koster, als misdienaar of gewoon als biddende mens in de Kerk; we mogen dan allemaal een eigen plaats en taak hebben maar in waardigheid zijn wij voor God allemaal gelijk.  

Nog even naar die dubbelnaam van Petrus; Simon Petrus. Daaruit spreekt dus dat dubbele van enerzijds die zwakke mens zijn en anderzijds die onbreekbare rots. Het zal niet lang duren immers voordat die rots zijn eigen hachje probeert te redden als Hij tot drie keer zegt: “Ik ken die man niet”. Het is diezelfde dubbelheid die doorheen de hele kerkgeschiedenis gaat; intriges, machtswellust, sexueel misbruik enzovoorts. Ja, de zwakke menselijke kant van Petrus zit overal, ook in de Kerk, ook in ieder van ons. En toch, God doet het met die Petrus, met die Kerk, met ons. Ondanks alle menselijke gebreken ook, is Petrus, is de Kerk door God zelf geheiligd, zijn wij door God zelf gedoopt; aangenomen als zijn eigen kinderen. Amen.