Groter dan ons hart

Pieter Raaijmakers

26 Januari 2026

Kerk wereldwijd

Slechte Bijbelkenners, zoals wij katholieken gemiddeld toch altijd nog zijn, zullen het vreemde vertelsel over het land van Naftali en Zebulon, maar gauw overslaan en verder lezen over het grote licht dat is opgegaan. Want dan weten we weer waar het over gaat; het grote licht van Christus en de komst van het Rijk der Hemelen. Nou wil ik mijzelf zeker niet poneren als een bovengemiddelde katholiek en bijbelkenner, maar als je zo een preek mag voorbereiden, dan wordt je wel een beetje verplicht om je erin te verdiepen. En zo leerde ik dat Zebulon en Naftali in de oudheid twee stukken land waren die, net als de andere gebieden daar, vernoemd waren naar de 12 zonen van de aartsvader Jacob. De 12 stammen die het volk Israël vormden. Maar Zebulon en Naftali lagen in een grensgebied in het noorden. En door buitenlandse invloeden en deportaties waren zij weggedreven van de kern van het joodse volk en de Tempel in Jerusalem. Daarover hoorden wij Jesaja spreken in de eerste lezing; “In het verleden is er oneer gebracht over het land Zebulon en over het land Náftali”, maar in de toekomst wordt er eer gebracht aan de zeeroute, de overkant van de Jordaan en het Galilea van de heidenen”.

In het Evangelie horen we dat terugkomen. Want precies daar begint Jezus zijn prediking; “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij”. Als wij Jezus zo horen spreken denken we vooral in spirituele categoriën, maar voor de Jood en was de komst van het koninkrijk heel concreet. Hun hoogste verwachting van de komst van de Messias lag daarin, dat de 12 stammen van Jacob weer verenigd zouden worden tot één groot volk. En daarom worden die twee afdwalers, Zebulon en Naftali, hier specifiek genoemd. Dat is immers wat Jezus zich ten doel stelt; alle volken te verenigen en thuis te brengen bij de ene God. Daarom begint Hij zijn openbare optreden hier in het grensgebied, het Galilea van de heidenen.

Als we het leven van Jezus goed bekijken zien wij dat Hij geboren is in een stal, een plek waar de dieren thuishoren. Hij wordt gelegd in een kribbe, daar waar men het voedsel van de dieren deponeert. Lager kan niet voor mensen. De volkse verbeelding heeft de stal waarin Jezus geboren werd zelfs voorgesteld als een grot. Ook die suggereert laagte en diepte. Het is alsof de Zoon van God bij zijn komst in de wereld zo laag mogelijk wilde neerdalen, tot bij de dieren in de donkere diepte van de aarde. En dat terwijl wij door heel de geschiedenis heen, God juist spontaan associëren met hoogte. Met de bergen, hoger nog, met de hemel. Als God tot ons komt in de kerstnacht geeft Hij blijk van een ondubbelzinnige voorkeur voor de laagte, symbool voor wat klein, onaanzienlijk is, geminacht en misprezen wordt. Dat patroon zet zich voort als we zien welke mensen het eerst bij het goddelijk kind op bezoek komen; onaanzienlijke, arme woestijnherders en niet-joodse wijzen uit het oosten, heidenen, voor wie de weldenkende joden een diepe minachting hebben. Jezus laat zich dopen in de Jordaan; die ligt ongeveer 350 meter onder de zeespiegel. Het is de laagst gelegen regio van de hele aardbol. En de merkwaardige keuze van de Zoon van God manifesteert zich opnieuw als Hij besluit zich te laten omringen door een twaalftal beperkte volgelingen. Daarvoor wendt Hij zich niet tot de hogere kringen van religieuze gezagsdragers zoals de priesters, hogepriesters, Farizeën of Essenen, ook niet tot de machtige Romeinen.

Nee, Hij gaat het zoeken bij arme landarbeiders, eenvoudige vissers, niet in het machtcentrum Jerusalem, maar in het verloren land van Zebulon en Naftali, het Galilea van de heidenen.

“Ik ben niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen”;
dat is de houding waarmee Jezus Zijn grote dienstwerk begint
en alle mensen, alle volkeren van de wereld wil verenigen
en terugbrengen bij Zijn Vader, onze Vader, de ene God.

Dat is ook de houding waartoe Hij ons oproept als Hij zegt; “Kom en volg Mij”.
Die dienst aan God en mens heeft Hem als het ware uiteengetrokken aan het kruis.
Eén hand uitgestrekt naar de Vader, de andere naar ons.
Biddend, zoals de Evangelist Johannes het zegt;
“Mogen allen één zijn, Vader, zoals Gij in mij bent en ik in U ben”.

Maar het blijft mensenwerk. We lezen in de brief van Paulus dat er al grote verdeeldheid heerst, ook in de jonge Kerk;

“Dit bedoel ik, dat ieder van u zegt: “Ik ben van Paulus”,
“Ik van Apollos”, “Ik van Kefas”, “Ik van Christus”.
Is Christus dan in stukken verdeeld?”

Is Christus dan in stukken verdeeld? Dat kan hij ook gerust tegen ons zeggen want ook wij hebben zo onze voorkeuren voor deze of gene priester, voor deze of gene bisschop, voor dit of dat gezang. Maar er is er maar Een hier in ons midden die dezelfde blijft, gisteren, vandaag en morgen.

Hij stelt zich steeds opnieuw present in de heilige Eucharistie, waarin we eten van dat ene Lichaam dat ons tweeduizend jaar bij elkaar gehouden heeft.

Kerk wereldwijd; Kerk, waarin alle mensen, rassen en standen, gelijkwaardig (niet gelijk maar gelijkwaardig) en welkom zijn. Amen.