"Niets meer te wensen en toch niet gelukkig". 3e zondag Veertigdagentijd A 2026
“Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”; aan dat boek van de joodse rabbijn/filosoof Harold Kushner moest ik denken bij het lezen van het Evangelie van vandaag. “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”. Het hele Evangelie van Johannes kent een bijzonder soort taal met vaak meerdere lagen van betekenis. Zo ook het verhaal van de Samaritaanse vrouw bij de bron. Er gebeurt hier nogal het een en ander. Voor de tijd waarin Jezus leefde was Zijn optreden hier revolutionair. Op de eerste plaats worden Samaritanen door de Joden gezien als ketters, die ze met de nek aan kijken. Jezus niet; hij gaat spontaan in gesprek, niet eens met een Samaritaan, maar ook nog eens met een Samaritaanse; met een vrouw dus. Dat het verhaal zich afspeelt bij een bron heeft ook nog weer een extra betekenis; Alleen bijvoorbeeld al omdat water zo van levensbelang is in het gortdroge Midden-Oosten. Maar de ontmoeting tussen een man en een vrouw bij een bron, verwijst voor de Bijbelvaste Jood onmiddellijk naar het huwelijksverbond. Alle grote huwelijken die in de Bijbel beschreven worden zijn immers ontstaan bij een waterput: Jacob vindt er zijn Rachel, Mozes Sipporra en voor Isaac wordt Rebecca gevonden bij een waterbron. Is Jezus hier dan een beetje aan het flirten met die Samaritaanse? In zekere zin wel.
De relatie tussen God en de mens wordt in de Bijbel vaker uitgedrukt als een huwelijksverbond; God is daarin de bruidegom, de mens Zijn bruid. En in deze zin is Jezus, als bruidegom, deze vrouw aan het verleiden tot een huwelijk; niet voor zichzelf, privé, maar om haar terug te brengen bij God. Dat is per slot van rekening de hele missie van Jezus komst in deze wereld; de mensheid bevrijden uit de banden van de dood en haar te brengen tot het eeuwige bruiloftsmaal bij God. En hier zien we dat de Samaritaanse vrouw behoorlijk verdwaald is; vijf mannen heeft ze gehad en ze is nu met de zesde bezig. Dat brengt me even terug bij de titel van dat boek: “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”.
En dan horen wij dat gesprek van Jezus met de vrouw over dat water. Het gaat kennelijk over twee verschillende soorten water; het aardse, het materiële, het lichamelijke, dat water waar je nooit genoeg van krijgt en een ander soort water. Misschien mag je zeggen; het geestelijke water. Een totaal ander soort water. Water dat aanzet tot enthousiasme, geestkracht, geloof. Een soort water waarbij je, als je ervan gedronken hebt, overloopt. Zoals de vrouw onmiddellijk overloopt van enthousiasme en iedereen die het horen wil, gaat vertellen, niet over die waterbron, maar over de bron die Jezus is. En zo borrelt dat water nog steeds op uit die bron; 2000 jaar ononderbroken uit het hart van onze Kerk, de Eucharistie.
Misschien mag ik proberen om het nog wat inzichtelijker te maken. Wij mensen zijn wezens die leven tussen hemel en aarde. Terwijl we ten diepste verlangen naar het hemelse, eeuwige geluk, ligt het aardse voor ons veel meer voor de hand. Het hemelse, het eeuwige geluk is niet direct tastbaar; het bestaat voor de aardse mens enkel als een belofte. Na alles wat we in de Bijbel lezen, en over Jezus weten een heel aannemelijke belofte, maar....., toch nog steeds alleen een belofte. En daar moet je dus in geloven. Als aan Jezus gevraagd wordt wat wij moeten doen, dan is Zijn antwoord; “Te geloven in Degene, die God gezonden heeft.”
Wij spreken van moeder aarde, moeder, mater, materie, materialisme. Materie is alles wat op aarde te vinden is; datgene wat we zien en proeven en aan kunnen raken. En het grote gevaar voor een mens die de Schepper niet herkent, die God niet kent, het grote gevaar voor die mensen is, dat ze denken dat ze hun geluk alleen kunnen vinden in het aardse, in die materie. Dus als ze zich niet echt gelukkig voelen, duiken ze nog dieper in de materie, raken toch weer gefrustreerd en kunnen dan alleen bedenken, dat ze nog meer of misschien heel andere materie nodig hebben om gelukkig te worden. Zij drinken gulzig van het water waar ze steeds opnieuw dorst van krijgen. "Ze hebben vijf mannen gehad". “Niets meer te wensen en toch niet gelukkig”.
Maar wat is dan toch dat levende water waar Jezus het over heeft? Dàt levende water heeft vele namen: de verzoening met God, het kindschap van God, het eeuwige leven, de heilige Geest die in je leeft, de heilig makende genade, de verlossing. Door het leven schenkende water van het doopsel hebben wij dit alles al ontvangen en zijn we kinderen van God geworden. Geliefd door de Vader die over ons waakt. “Wees maar niet bang”, in Hem zijn wij veilig wat er ook gebeurt. Is er iets aards, iets materieels te bedenken dat belangrijker is dan dat?
Laten we dan, in onze opgang naar Pasen, extra moeite doen om verbonden te raken of te blijven met die levende bron die Jezus Christus is. Laten we met Hem meetrekken door de ultieme angst, de dood, heen, voorgoed bevrijdt van alle angsten die ons terug zouden werpen in de materie. Amen.