Groter dan ons hart

Pieter Raaijmakers

29 Oktober 2026

Trouwe pachters? 27ste zondag A 2026

De eerste lezing van vandaag weerspiegelt de hele worsteling van God met Zijn Schepping. De wijngaard staat natuurlijk voor het leven hier op aarde. God heeft het allemaal geschapen, zorgvuldig voor ons neergelegd en tenslotte ook de mens zelf het levenslicht doen zien. Met de Schepping van de mens hoopte God een partner te vinden die Zijn liefde zou willen beantwoorden. Maar de mens gaat op de loop met zijn vrijheid en keer op keer misbruikt hij het vertrouwen van God. Bijna had God de hele zaak dan ook maar weer opgeruimd, zoals wij al kunnen lezen bij de Ark van Noach. Maar de mens heeft een nieuwe kans gekregen; en nog een….., en nog een……en nog een. Zoveel geduld is alleen te vinden bij een God die oneindig goed is.

Jesaja schetst 700 jaar vóór Christus nog maar eens een keer hoe het ervoor staat met het volk van God. Maar er wordt naar hem niet geluisterd. De waarschuwing van Jesaja wordt in de wind geslagen. In de parabel die Jezus ons vertelt herneemt Hij het thema van Jesaja over de wijngaard. We zitten inmiddels in het 21ste hoofdstuk. Jezus is opgetrokken naar Jerusalem en Hij heeft al wel begrepen dat ook Zijn zending niet aanvaard wordt door de heersende klasse. In de zoon die als laatste naar de wijngaard gestuurd wordt ziet Jezus natuurlijk zichzelf. Hij is degene die door de vader naar de wijngaard gestuurd wordt. En Israël zal hem behandelen zoals voor Hem de profeten behandeld zijn. Met deze parabel voorspelt Jezus als het ware Zijn eigen lot. Hij zal door de pachters, hier meer precies de hogepriesters en oudsten van het volk, vermoord worden.

Maar de dood van Jezus is niet het einde van de heilsgeschiedenis. God is God en Hij geeft nooit op. Hij geeft het ook nooit op met de mens. “Want de steen die door de bouwlieden afgekeurd en verworpen is, diezelfde steen zal de hoeksteen worden”; dwz. de steen die alles in verband houdt en waarop alles rust. De vernederde, miskende en gekruisigde Jezus is de hoeksteen van het Rijk Gods. Wie Hem verwerpt kan geen deel hebben aan dat Rijk. Het joodse volk heeft keer op keer kansen gekregen in een hele lange rij profeten. Tenslotte kreeg het zelfs Gods eigen Zoon, maar door Hem af te wijzen, vellen zij een verschrikkelijk oordeel over zichzelf. “Hij zal ze op een ellendige wijze te gronde richten en de wijngaard aan anderen verpachten”. Dat geven de hogepriesters en oudsten als antwoord op de vraag van Jezus wat de eigenaar van de wijngaard zal doen met die pachters die zijn zoon gedood hebben.

En inderdaad, Jezus bevestigt hun conclusie;  “het Rijk Gods zal u ontnomen worden en gegeven aan een volk dat wèl de vruchten daarvan opbrengt”. Wat Jezus hier aankondigt is het einde van Israël als drager van de goddelijke belofte en de komst van het nieuwe godsvolk, de Kerk. Zo kent deze parabel een vernietigende boodschap voor het oude Israël.

Maar de Evangelist is er niet op uit om een lange neus te maken naar de Joden. Hij heeft veel eerder nog een boodschap voor ons. Jezus heeft de Joden eerder al eens gewaarschuwd; “Zeg niet bij uzelf; Wij hebben Abraham toch als vader”,  toen ze zelfgenoegzaam hun rechten meenden te kunnen claimen op het enkele feit joods te zijn. Zo zijn wij evenmin binnengelopen enkel op grond van het feit dat we christen zijn. Op onze beurt moeten wij ons blijven afvragen of wij dan wèl de vruchten opbrengen die God van ons verlangt. 

Zoals Paulus zegt tegen de christenen van Filippi; Houdt uw aandacht gevestigd op al wat waar is, al wat edel is, wat rechtvaardig is en rein, beminnelijk en aantrekkelijk, op al wat deugd heet en lof verdient. En brengt in praktijk wat u geleerd is en overgeleverd, en wat gij van mij hebt gehoord en gezien. Dan zal de God van vrede met u zijn.

Laten we er blijk van geven trouwe pachters te zijn van Gods prachtige Schepping.      Amen.